Elektriciteit.

Met het verstrijken der jaren veranderd er nog al wat, de verandering
wordt groter naarmate er meer jaren verstrijken.
Één ding veranderd niet achterdocht, bijgeloof en vooroordeel tegen
nieuwe dingen blijft bestaan.
Eerst werd windkracht vervangen door stoom, als men nu de gammele
constructies ziet, kan men zich voorstellen dat er nogal wat bedenkingen
tegen bestonden.
Zo’n kleine zestig jaar geleden had men bedenkingen tegen alle apparaten
en toestellen die door elektra werden aangedreven.
Verwonderlijk was dat niet, aan boord van de oude schepen was 110 volt
gelijkstroom geïnstalleerd.
De peterolielampen werden vervangen door elektrische lampen.
Voor noodgevallen bleven de olielampen aan boord je kon nooit weten met
die nieuwigheid.
Voor de ladinglampen, grote metalen dingen met vijf lampen erin,
waren extra stopcontacten tegen de dekhuizen aangebracht.
Deze stopcontacten waren vreemde ronde dingen met een schroefdekseltje erop.
Dat dekseltje was, om verlies te voorkomen,
met een kettinkje aan het stopcontact verbonden.
Het opschroeven van het dekseltje werd meestal nagelaten, door het steeds
veranderen van de licht opstelling, was het te veel werk.
Daardoor hadden zee-en regenwater vrij toegang tot het inwendige van
het stopcontact.
De stekkers, lange houten dingen met een lang middencontact waren niet
erg best geïsoleerd. Bij regenweer kreeg je, bij het insteken of uithalen
van een stekker, gegarandeerd een beste opdonder
Droog weer was ook geen garantie dat je er zonder schok afkwam.
Het is dus begrijpelijk dat de oude zeelui geen liefhebbers waren van
de moderne elektrische installaties.
Onbekendheid met het nieuwe en de slechte installatie, was een bijkomend kwaad.
Ik heb bijvoorbeeld nooit begrepen waarom de lichtknopjes
thuis in koper waren uitgevoerd. Iedereen weet dat er geen betere geleider
van stroom is dan koper, een los draadje kon je een doodklap geven.

Een nog groter bijkomend gevaar was, dat de koperen lichtknopjes moesten glimmen.
Één of twee keer in de week werden de levensgevaarlijke dopjes gepoetst,
waarbij het lichtknopje herhaaldelijk ruw op en neer werd bewogen.
Als je goed beschouwd is het een wonder dat er nog zoveel mensen in leven
zijn gebleven. Oude zeelieden beweerden met grote stelligheid dat het veel
voorkomende slechte weer werd opgewekt door radiogolven die,
zoals zij het uitdrukten, vrijelijk de lucht in werden geslingerd.
Voor mijn tijd was de stoomtrein tussen Amsterdam en Haarlem ook met de
nodige scepsis ontvangen.
De adem zou worden afgesneden, door de ontzettende snelheid (± 50 km)
waar mee de trein zich voortbewoog.
De ingewanden konden de snelheid niet bijbenen en zouden verschuiven.
Nee de koets en de trekschuit waren veel veiliger,
al die haast vond men nergens voor nodig. Dit alles overdenkend is het
niet verwonderlijk dat tegenwoordig mobieltjes, televisie, computers
en meer vergelijkbare apparaten, in het verdom hoekje zitten en worden
beschuldigd van de oorzaak van de vreselijkste afwijkingen.
Narigheid die niet direct te verklaren is, moet toch ergens vandaan komen,
dus wordt verwezen naar de, voor veel mensen onbeminde,
niet noodzakelijke nieuwigheden. Er wordt voorbij gegaan dat alles,
wat nu oud of ouderwets is, ooit gloednieuw en bijna niet te bevatten was.
De moderne communicatie middelen worden, vooral door oudere mensen,
met dezelfde vooroordelen ontvangen als destijds, stoom, elektriciteit en radio.
Probeer nu eens, alle ongemakken van de trein meegerekend, deze vorm van
vervoer weg te denken. Dit alles overdenkend lijkt het mij het beste,
alles te proberen en pas als het niet goed is, of als er daadwerkelijk en niet
verondersteld schade optreedt, de nieuwigheid af te wijzen.
Ondertussen blijf ik gereserveerd de kat uit de boom kijken.
Neem alles met een korreltje zout, hoor het voor en tegen aan en bedenk dat
de tijd ook het laatste strijdpunt wel weer zal oplossen.
Over een aantal jaren is het meest verdoemde doodgewoon,
ingeburgerd en niet meer weg te denken.
Dick