“Moeder ik wil gaan varen”.

 Met deze woorden is menig zeemans loopbaan begonnen. 
Aan boord werd daar nog aan toegevoegd “geef mij oliegoed, een paar gummi laarzen 
en een zuidwesterhoed.” Veel van dit soort gezegde werden gedurende de reis voortdurend aangehaald. 
Een gezegde met diepere achtergrond was, klaag niet stokers en matrozen, verbeteren kunnen we het toch niet.
Een veel gehoorde was, “we vragen niet maar wij eisen, vet vet, vlees met een vet randje en 
balletjes in de soep.” Een onrecht was altijd een vermeend onrecht, het kwam er op neer dat je eerst moest
vragen of het onrecht wel onrecht was. Als een dispuut over rechten verloren dreigde te gaan, 
werd de hele toestand in het belachelijke getrokken door één van de laatste strofe aan te halen. 
In deze eisen was een zekere lijdzaamheid verweven, je kon wel eisen maar krijgen was de grote kunst.
Er moest bij voorbeeld, volgens de meerderheid van de bemanning, drijfijs in de snert zitten, 
dat waren spekblokjes die aan de oppervlakte dreven. Bij veel koks ontbraken deze. 
Misschien doordat de kok een dieet deskundige was en hij de snert zonder spek al dik makend genoeg vond. 
Wij vonden snert zonder spek een aanfluiting en hadden met de deskundigheid van de kok niets te maken, 
legendarisch is de uitspraak “de snert kan me niks verdomme, maar spek moet ik hebben”. 
Als de kok echter van mening was dat hij het bij het rechte eind had en onze klachten afwees,
kon alleen nog de kapitein zijn oordeel over het geschil uitspreken. Zijn wil was dan wet, 
hij kon in overleg met de hofmeester zelfs het menu veranderen. 
Om van het wekelijkse menu af te wijken was moed nodig, het menu was in ons gevoel al eeuwen 
lang onveranderd. Daar werd niet van af geweken, het idee dat donderdags geen nasi op tafel kwam of 
op vrijdag bloedworst met een schijfje gebakken appel was ondenkbaar, deze traditie moest tegen elke 
prijs worden gehandhaafd. Labskous, Irish stew, kippers, jachtschotel, kapucijners, bruine en witte bonen
waren wekelijkse, op vaste dagen terug kerende spijzen. Slaatje tussen de ijsbergen en kapucijners in de 
tropen, het menu stond vast, er kon en mocht niet van worden afgeweken.
Alleen op de feestdagen werd afgeweken van het menu, met Paas kregen we een gekookt ei extra en met de 
kerst kwam er konijn op tafel. Ik heb al eens eerder over de slimme konijnen geschreven. 
Zij zagen kans, om hun achterbouten op de officiers tafel te krijgen en hun ribbenkasten bij de stokers
en de matrozen. Het aantal ribbenkasten dat deze, op het eerste oog normale konijnen voortbrachten, 
was schijnbaar onbegrensd. Het moeten ontzettend lange konijnen zijn geweest, allemaal in het bezit 
van wel vier ribbenkasten. Je hoeft geen anatomie te hebben gestudeerd om te weten dat zelfs een konijn, 
dat legendarisch tot veel instaat is, ook maar één ribbenkast heeft. 
Onwillekeurig rijst de vraag waar kwamen al die ribbenkasten dan vandaan. 
De kok vond het zelf  ook, hoogst merkwaardig, hij begreep niet waarom de achterbouten, 
zelfs in gebraden toestand, een eigen wil hadden. Hij wilde het wel veranderen, 
maar kon er met de beste wil van de  Wereld niets aan doen dat de achterbouten hun eigen weg gingen.
Denk niet dat het toevallig een paar slimme konijnen zijn geweest. Alle zeevarende konijnen zijn met 
hetzelfde instinkt uitgerust. 
Het overbekende snelle vermenigvuldigen van de konijnen geeft ook geen soelaas. 
De volgende generaties konijnen zijn, het is ondervonden bij verschillende opeen volgende Kerstmissen,
met dezelfde hoedanigheid besmet. Het wordt tijd om de genen van de zeevarende konijnen te onderzoeken, 
er moet een zeer vreemde afwijking inzitten.  Als deze afwijking niet gevonden wordt, is er weer een 
vermeende, willekeur in het spel. Ik ben er, zelfs zonder diepgaand onderzoek van overtuigd, 
dat gebraden achterbouten niet staat zijn, geheel zelfstandig, hun weg naar de midscheeps vinden.
Het euvel zal, bij ieder kerstmis weer, bij de vermeende onrechtvaardigheden worden gedeponeerd. 
Of het veel helpt? 
Ik weet gewoon dat het overbodige moeite is. Ondanks alle protesten wassen de koks hun handen in de, 
naar mijn overtuiging vooral gedurende de kerstdagen, gevaarlijke onschuld. 
Ik hoop en vertrouw er op, dat Onze Lieve Heer, vooral met de feestdagen, extra goed oplet.
Daarom ben ik er bijna zeker van, dat de zonden van de koks, hen eenmaal extra zwaar 
zullen worden aangerekend. Zij moeten, na pensionering, een bijzonder braaf leven gaan lijden, 
anders zie ik een goed plaatsje in het hiernamaals voor hen somber in. 
Dick.