Douche.


Op oude schepen was, zoals ook in oude huizen, geen douche.

Wij wasten ons aan boord met water uit een emmer, het water werd, indien gewenst, op een ingenieuze wijze warm gemaakt.

Midscheeps was, in de stoompijp naar de fluit op de schoorsteen een aftakje met een afsluitertje gemaakt.

Daarmee kon door een dun pijpje stoom in een emmer water worden geblazen het water werd door de stoom borrelend warm.

De stoomblazer werd ook als wasmachine gebruikt. Thuis hadden de vrouwen, alleen bij hoge uitzondering een wasmachine.

(De Bico was nog maar kort in de handel) Wij hadden er één en geheel automatisch, zonder wasgoed slijtende vinnetjes.

Met groene zeep en soda werd het wasgoed in een emmer koud water gedaan, daarna werd het stoompijpje erin geplaatst,

afsluitertje open en het water begon te borrelen en te draaien. Het wasprogramma werd gekozen met het afsluitertje,

daarmee kon de snelheid van het borrelen en de temperatuur worden geregeld, als je lang genoeg wachtte ging de was zelfs koken.

In onze optie, speelde de temperatuur alleen bij wollen truien en sokken een rol, lingerie werd niet gedragen, we hadden dus geen fijne was.

Verder was het een zaak van uitspoelen. Spijkerbroeken, jassen en ander groot wasgoed werd, om uit te spoelen, aan een touw gebonden

en achter het schip door het zeewater gesleept. Daarna nog een keer met zoet water naspoelen en klaar was kees.

Zo hadden we in al onze eenvoud veel voorrechten en we waren er dankbaar voor. Het heeft mij wel altijd pijn gedaan dat mijn

Moeder mijn schone was, niet schoon genoeg vond en tussen duim en wijsvinger, mijn schone was aanpakte, om het daarna opnieuw te wassen.

Één van de nadelen op oude schepen was dat we in het vooronder sliepen.

De ankerkettingen liepen, door kokers, (dikke buizen) dwars door ons verblijf heen, op zee werden de kettingen door het slingeren van het schip

tegen de kanten van de kokers heen en weer geslingerd. Het gekling- klong was niet erg slaap bevorderend.

Om dat tegen te gaan werden de kettingen, in de kettingbak een stuk onder de koker, met een kabelgarentje tegen elkaar gebonden.

Als het anker moest vallen brak het touwtje, het was een beproefde methoden.

De stilte werd, na het samen binden, op stoomschepen een heerlijkheid. Alleen het ruizen van het boegwater was nog te horen,

het was als varen op een zeilschip. Op één van de reizen had de bootsman de bakkies jongen opdracht gegeven de kettingen even vast te zetten.

In zijn ijver had de jongen geen kabelgarentje genomen maar een vierduims end.

Hij had dat een paar keer heen en weer door de ketting gestoken en vlak onder de koker, naar zijn idee, goed, vast gezet.

De rest van het verhaal zal bewijzen dat hij zijn werk goed gedaan had. Bij aankomst in de volgende haven ergens in Zuid Amerika voeren we,

zonder sleepboten, recht op de kade aan. De bedoeling was om op het laatste moment stuurboord anker te laten vallen,

waardoor de kop van het schip naar stuurboord zou draaien.

Voel je hem aan komen, inderdaad, op het bevel van de brug “lekko stuurboord anker”volgde niet het vertrouwde geratel van de ketting,

er gebeurde niets, een korte bonk verder niets. We probeerden door op de ketting te springen alsnog beweging in de ketting krijgen,

maar het was onbegonnen werk de ketting zat muur vast.

Op de brug was een lichte paniek maar er volgde toch snel het bevel “lekko bakboords anker”er volgde de eerder gehoorde korte bonk,

maar vallen deed ook het bakboord anker niet. Het gevolg was een derde bonk veel luider, nu was het de kade die het schip keerde.

De gevolgen, een flink stuk uit het beton van de kade en een deuk in de kop van het schip.

Het viel allemaal nogal mee, één ding was erger. Een stuk vlechtijzer in de betonnen kade had een klinknagel uit de voorpiek gedrukt

waardoor een mooi straaltje van ons kostbare Amsterdamse drinkwater uit het gaatje spoot.

De overwegend donker gekleurde bootwerkers hadden de grootste lol, ze stonden om beurten te douchen, onder het relatief koude water.

Telkens weer klommen een paar  zwetende bootwerkers uit het withete ruim om verkoeling te zoeken en te vinden in het straaltje water.

Het was zo’n succes, dat overwogen werd, in volgende havens de dekwas slang op te tuigen, er kon dan in buitenboord water worden afgekoeld.

Nu koste het, ons goede drinkwater. Om van buiten uit een prop in het gaatje te slaan loste het probleem niet op.

We moesten van binnen uit een bout  met ringen en een moer aanbrengen, daarom moest eerst het water niveau tot onder het gaatje zakken.

Na twee dagen was het zover, de douche was opgedroogd, tot verdriet van de bootwerkers.

De dekwas slang, aan dek opgetuigt, is nooit zo’n groot succes geworden als het mooie straaltje drinkwater uit de voorpiek.

                                                           Dick.