Vis.

Het is overbodig te vertellen dat veel zeelui, als de omstandigheden
het toelaten, vissen, met zoveel water om je heen kan dat niet uitblijven.
Zelf heb ik het altijd een beetje angstig gevonden.
Op valreepwacht in de tropen, met grote ladinglampen op het water gericht,
zwommen daar de meest gekke griezels in de lichtcirkels.
Het leek mij niet erg plezierig om zo’n gedrocht aan de haak te hebben
en die er met je blote handen af te halen.
Op de rivieren was het zo mogelijk nog erger. Als in Maracaibo een oud
brood in het water werd gegooid begon het water te leven.
De vissen, ze werden door ons strontbaggers genoemd, zwommen in een grote
school met veel gekwetter en gesnater achter het brood aan, waarbij ze de
bovenste vissen hoog boven water drukten. Het brood bewoog als een
onmanoeuvreerbaar schip door het water en werd daarbij snel kleiner.
Deze vissen hebben drie giftige stekels, de rug en de borstvinnen.
Het is dus zaak om niet gestoken te worden.
Wij aten ze niet, maar de Venezuelanen waren er gek op,
vooral de meer blanke uitvoering vonden zij een lekkernij.
Als deze vissen gekookt waren en het visvlees er af was, zat achter de kop
een beentje dat met enige fantasie een kruisbeeld,
met Christus er aan voorstelde.
In het kruisbeeldje zaten drie, min of meer vierkante losse botjes,
dat moesten de dobbelstenen voorstellen waarmee de mantel van Christus
vergokt zou zijn.
Zelf heb ik er verschillende gezien, het is werkelijk waar.
Vissen op IJsland was van een heel andere stijl daar werden vislijnen
uit de sloepen gehaald.
Dat was om een begrijpelijke reden streng verboden, maar de verleiding was
zo groot, dat het tegen beter weten in, werd gedaan.
Tijdens de middag-pauze werd even een emmer vis gevangen, veel platvis maar
ook grotere exemplaren zoals kabeljauw en zeewolf.
Veel verstand van vis heb ik niet, ik kan de verschillende soorten dan ook
niet uit elkaar houden. Tijdens de reizen op IJsland was er maar één probleem,
de kok, hij verdomde het om elke dag zo’n grote hoeveelheid vis te bakken of
te stoven. Één of twee keer in de week wilde hij het wel doen,
maar elke dag was teveel van het goede.
Ook mochten wij ‘s nachts de kombuis niet gebruiken om vis te bakken.
Wel moesten ’s nachts op wacht het kolenfornuis brandende houden, zodat
de kok ’s morgens direct een brandende kachel had,
het was als de kat op het spek binden. Toch hadden we niet de moed,
om het fornuis ’s nachts te gebruiken om vis te bakken, de kok zou het
’s mogens ruiken en een kok is een machtig mens aan boord van een schip.
We hadden daarbij enig begrip voor de kok, hij had de ervaring opgedaan
op vorige reizen. En wist dat hij telkens weer, na de IJsland periode,

de hele kombuis uit moest uitsoppen. Vis werd, als we de kans kregen op
alle denkbare manieren bereid.
Zelfs in krantenpapier gerold, om daarna in de hete as in de asla van de
kombuiskachel, met wat peper en zout, in eigen vet gaar te smoren.
Volgens de aanhangers van de asla theorie, was er niets lekkerder
denkbaar dan hun bereidingwijze, de drukinkt verhoogde de delicate
smaak aanmerkelijk.
De asla manier werd ook veelvuldig gebruikt voor vliegende vissen.
Een vliegende vis is een soort haring met lange borstvinnen waarmee zij van

golftop naar golftop vliegen. Als een schip geladen is en diep in het water
ligt vliegen ze vaak aan dek.
De vissen worden ’s morgens door de matrozen verzameld.
Zij worden voor vrienden en kennissen, met tabak in hun buik,
op een gelakt plankje opgezet, of ze werden opgegeten.
Er was op passagierschepen, tussen de passagiers en de bemanning,
altijd een strijd om als eerste bij de vliegende vissen te zijn,.
De strijd werd altijd gewonnen door de bemanning, de passagiers
visten achter het net.
De passagiers werden, de hele dag en vooral de avond tot in de kleine uurtjes,
bezig gehouden door pretmakers en artiesten.

Daarbij werd doorgaans, een behoorlijk slokje gedronken. Voor een uur of negen
werden zij niet wakker.
De vliegende vissen waren dan al lang van tabak voorzien of opgegeten.
Als zij ‘s morgens vroeg opstonden, om vis te zoeken, grepen zij nog mis.
Zij vonden alleen de door de matrozen met krijt op dek getekende vissen.
Op de Oranjestad werd ons herhaaldelijk gevraagd om voor de passagiers een
paar vissen te laten liggen.
Voor ons was het echter het enigste lolletje dat we ons, ongestraft,
konden veroorloven.
De passagiers hadden de attributen niet om de vissen op te zetten en
wisten niet wat zij met de vis moesten doen.
Na één of twee dagen stonk de vis en werd overboord gegooid.
Wij vonden dat verkwisting en hadden er een veel betere bestemmingen voor.
Een enkele keer werd een sympathieke passagiers, een met tabak opgezette op
een plankje gespijkerde en met blanke lak bewerkte vliegende vis cadeau gedaan.

Dick