Bakkiesjongen en rantsoenen Een verhaal van Dirk Rietel


Je zelf wassen, op het eerste gezicht is dat niet zon probleem, maar op oude schepen was het een onder geschoven kindje.

De lichtmatroos, dat is een deftige naam voor een bakkiesjongen, moest op de Zaanstroom waswater in de midscheeps

met een zwengelpomp op pompen. Daarna twee maal, met twee volle emmers water door de machinekamer,

zonder te morsen, naar het washok lopen. Als er in de machinekamer gemorst werd waren de rapen gaar en kreeg de jongen

ongenadig op zijn duvel, hij moest dan naar beneden de machine-kamer in om het water op te dweilen.

Van de twee volle emmers water werden vier halve gemaakt De stokers jongen moest veel meer water halen,

de stokers hadden aan een half emmertje niet genoeg, zij moesten de kolenstof weg wassen.

Het washok was als regel een gang of een hok bij de slaap en verblijfruimte.

Met deze emmers water moest men zich na slapen, of voor men de kooi indook wassen, tandenpoetsen

en alles wat een normaal mens met water doet. Er was geen douche geen bad, kortom alleen die emmers water.

De bakkiesjongen had dan ook zijn handen vol aan het water halen mede omdat het nog met een gammele pomp

omhoog moest worden gebracht en er altijd voor tien man schoon water in de emmers moest staan, zodra er zeepwater in

stond moest de emmer worden leeg gemaakt en door schoon water worden vervangen.

Er moesten kooien worden opgemaakt en niet alleen s morgens dat ging, door de steeds wisselende wachten,

de hele dag door. Daarnaast moest eten, koffie, thee en alles wat een mens nuttigt op een dag, uit de kombuis,

midscheeps worden gehaald. Als alles op tafel stond en er werd gegeten moest de jongen er bij blijven staan,

was de kaas op jongetje rij even kaas bij, terug met de kaas was de worst op, jongetje rij even worst bij, in het

scheepvaart- jargon was aanvullen bijrijden. Het ergste was dat er rantsoenen waren, alles werd afgewogen,

door een plakje kaas kon je de krant lezen. Als de hofmeester een rot bui had, kreeg je niet meer en moest de

bakkiesjongen bedelen om toch nog wat te krijgen het werd de jongen aangerekend als hij niets kreeg.

Er werd in twee ploegen gegeten, als de eerste klaar was kwam de afgeloste wacht, drie man en kon ook de bakkiesjongen mee-eten.

s Middags na het afwassen, daarvoor werd een emmer heet water in de kombuis gehaald, was de jongen vrij.

Hij stond dan al van s morgens zes uur op zijn benen er moest dan alleen om drie uur nog thee worden gehaald.

Om promotie te maken werd min of meer verwacht dat de jongen s middags aan het roer kwam, een matroos van de wacht

was dan wel zo goed om thee te halen. Als de jongen s avonds om een uur of acht klaar was rolde hij om half negen doodmoe zijn kooi in,

de volgende morgen om zes uur begon het feest opnieuw.

Op latere schepen was het probleem van het water nog niet opgelost.

Het water werd wel door pompen in een dagtank opgepompt, maar de hoeveelheid was hier in het geding,

er kon maar een beperkte hoeveelheid drinkwater worden meegenomen.

Om het geruime tijd goed te houden werd er een soort hallamit (bleekpoeder) ingedaan, lekkerder werd het er niet van.

In nagenoeg elke haven waar veilig drinkwater was, water bij gebunkerd. Aan het einde van de reis was het overgebleven

drinkwater een cocktail van water uit verschillende landen, de smaak was daar mee in overeenstemming.

Het Amsterdamse water was verre weg het beste. In andere havens was soms een smaak aan het water dat er,

om het eten en drinken enigszins dragelijk te laten smaken, door de kok allerlei kunstgrepen moesten worden toegepast

N.B. Door de onlogische rantsoenering van voedingsmiddelen werd er veel meer gebruikt dan noodzakelijk was,

men wilde alles hebben waar je recht op had. Er werden voor de thuis haven blikken cacao, specerijen, flessen

met div. sauzen, potten jam en andere levensmiddelen, niet gebruikt, maar die volgens recht verstrekt moesten worden overboord gezet.

Dat kosten hiervan was een veelvoud van de kosten om de rantsoenering achterwege te laten. n Groninger coaster eigenaar

voerde de stelregel, ze kunnen me arm varen maar niet arm eten. Daar kwam van alles op tafel, merkwaardig genoeg waren de

voeding kosten op zijn schepen, lager als op strikt gerantsoeneerde schepen, er werd daar niets verkwist of over boord gezet.

 

Dick.