Kerst op      zee.              Een verhaal van Dick Rietel                                                                                                                                                       

Traditie is in de scheepvaart een heilig goed, het wordt te pas en te onpas in ere gehouden.

Zo is er tussen de officieren [de midscheeps] en”het vooruit “[de stokers en matrozen] een groot verschil,

vooruit was de plaats waar op oude schepen de bemanning gehuisvest was.

Tegenwoordig huist alles achterop maar de uitdrukking is blijven bestaan. Het grootste wonder is dat konijnen ook het

onderscheid weten te maken. Als de eerste Kerstdag konijn op het menu stond, wisten de achterpoten feilloos de midscheeps te vinden.

Het wordt nog merkwaardiger dat uitsluitend de ribbenkastjes vooruit terechtkwamen. Er moest dus willekeur in het spel zijn geweest.

Als de kok erover werd aangesproken wist hij van niets, volgens de kok ‘liep het toevallig zo, het was puur toeval’.

De wijn, jawel we kregen wijn, was van het merk migraine, als je na een paar slokken wijn een sigaret wilde opsteken,

kon je je mond niet vinden, die was gekrompen tot een minuscuul cirkeltje. Een ander opmerkelijk gegeven was, dat de lijndiensten,

opeens een paar weken voor de feestdagen zo veranderden, dat tijdens de feestdagen de schepen op zee waren.

Als wij uitgerekend hadden dat we met de kerst, of  de jaarwisseling thuis zouden zijn, hadden we buiten de

waard [de kapitein kamer] gerekend.

In de kapiteinskamer zat een hele staf personeel de diensten in te delen, het scheen, ik weet het bijna zeker, dat daar het hele jaar werd

berekend hoe alle schepen op feestdagen op zee konden zijn. Een stil liggend schip kost geld maar of de rekenkosten werden gedekt door

de schepen op zee te houden daar heb ik mijn bedenkingen over. Bij de HSM had een verlichte ziel zijn huiswerk goed gedaan.

Ondanks alle havens die werden aangedaan op de Bristol dienst, had hij het zo weten te schipperen, dat we gedurende de feestdagen

onderweg waren van de één naar de andere haven. Ondanks de versiering en kaarsjes op tafel is er geen sfeer, er werd zeewacht

gelopen en de bemanning was moe door de lange werkdagen en de haast om op tijd uit de havens weg te zijn.

Onze feestdagen werden in Fowey afgesloten, op twee Januari werd aangevangen met Chinaklei laden in de stromende regen.

’s Avonds zaten we weer op zee en het restant van de oliebollen dreven in de kombuis heen en weer.

De kok was even te laat geweest om de patrijspoorten in de kombuis te sluiten.

Een flink zeetje had in één klap een eind aan de feestelijkheden gemaakt. Op een passagierschip werd de bemanning verzameld op

het sportdek, we kregen een preek van de kapitein en de passagiers waren tot tranen geroerd.

Daarna werden door het thuisfront gemaakte kerstpakketten uitgedeeld.

Veel kerkgemeenten hadden het als taak op zich genomen, om de zeelui zo ver van huis een stichtelijk woord en een paar zelf gebreide,

warme sokken, een wollen das en wollen handschoenen te sturen. Een nobel streven en we waren de mensen echt dankbaar

ze hadden tenminste aan ons gedacht, maar we wisten niet goed wat we met de geschenken twee dagen voor Curaçao moesten doen.

De snoepjes werden opgegeten, het surrogaat tabak werd overboord gegooid, meestal samen met het evangelie van Johannes

en andere profeten uit de bijbel. We voelden ons wel bezwaard, de mensen hadden het goed bedoeld, maar in de tropen had je zo

weinig aan een lekkere dikke sjaal. De tweede Kerstdag kreeg ik ontslag van de maatschappij, omdat ik geweigerd had het hekwerk

op het sportdek met een dot poetskatoen wit te schilderen. Dat feit stond niet genoteerd als ontslag reden,

maar werkweigering in belang van schip en lading, een rekbare regel die als pressie middel altijd en voor alle gebeurtenissen bruikbaar was.

Na aankomst in Amsterdam, zat ik binnen een week, bij een andere maatschappij, weer op zee.

Na een verzoek van de KNSM om weer te komen monsteren en varen te hebben afgewezen. Nee de feestdagen waren op zee geen feest.

De schepen die gedurende de feestdagen in de haven lagen, bestonden hoofdzakelijk uit kustvaarders. Zij hadden een kapitein eigenaars,

of een scheepsnaam, gevonden ergens in de bijbel. Bij alle andere maatschappijen kon het walpersoneel rustig en zorgenloos feestvieren

er was geen schip voor de wal en ze moesten bijkomen van de hoofdbrekens die het gekost had, om deze zalige rust waar te maken.  

Dick