De loodsladder.

Een verhaal van Dirk Rietel

 

Aan boord van schepen word altijd uitgekeken naar het moment dat de loods aan boord komt.

Een gedeelte of de hele reis is voltooid en kan afgesloten worden.

Het omgekeerde gebeurt als de loods van boord gaat, dat is het begin van een nieuw hoofdstuk

in de geschiedenis van de scheepvaart. De routine van elke dag begint zodra de extra wacht,

die bij het loods ontschepen aanwezig is, word bedankt. Bij het van boord en aan boord nemen

van en loods worden altijd een aantal voorzieningen getroffen. Er moet een lange lijn en een reddingboei

aanwezig zijn en een mannetje om zijn koffertje of tas te dragen en de loods naar de brug te brengen,

dit geld omgekeerd als hij van boord gaat. Als de handeling met de loods voltooid is, wordt de loodsladder

weer ingehaald en opgeborgen. Bij grootte lege schepen is de loodsladder erg lang en het is een hele klus

om het lange ding met lange zijlatten weer binnen boord te krijgen, daar zijn minstens twee man voor nodig.

Op kleine schepen en coasters kan één man de klus wel klaren.

Op de Amstelstroom kwam op een dag de matroos op de brug die de loods van boord had geholpen en vroeg

aan de stuurman “stuur als je iets verloren hebt en je weet waar het is, ben je het dan kwijt”.

De stuurman liep al een tijdje mee en wist dat er een addertje onder het gras zat, hij trok een bedenkelijk gezicht

en overwoog ondertussen wat er wel aan de hand kon zijn. Hij kon er niet opkomen en antwoorden voorzichtig

 ” het ligt eraan of het daar gejat kan worden of niet”. Waarop de matroos antwoorde, het is te zwaar om

zo maar mee te nemen. De stuurman dacht dat het  voorwerp dan niet als verloren moest worden beschouwd.

De matroos slaakte een zucht van verlichting en zei “dan zijn we gelukkig de loodladder niet kwijt hij drijft

namelijk vlak bij de boei waar de loods ontscheept is, daar kunnen we hem de volgende reis zo konden oppikken”.

De stuurman wist even niet wat te zeggen, liep naar buiten, om de omgeving en de scheepvaart op te nemen,

een peiling te maken en te bedenken wat hij hier nou mee aan moest. Onbewogen kwam hij weer binnen en

zei tegen de matroos ”Tot we de loodsladder weer kunnen oppikken, moet je de reserve ladder maar uit het kabelgat

halen, jij bent de uitgelezen persoon om dat even te doen.”

Een loodsladder, is een zware touwladder, met dikke houten treden en lange latten er aan, om het ronddraaien van

de ladder als de loods er op stond tegen te gaan. De ladder werd normaal door minstens twee man aan dek gehaald,

dan was het nog een hele toer. De toegang naar het kabelgat, was op deze schepen, een niet zo groot vierkant luik

met daaronder een stalen ladder, daar tegenop moest de loodsladder aan dek getild worden. Hij probeerde er

onderuit te komen door er op te wijzen dat hij de roerganger moest aflossen. De stuurman vond dat er geen uitstel

mogelijk was, je wist nooit wat er kon gebeuren er moest een loodsladder aan dek zijn en de roerganger wilde best

even blijven staan, als het karwei eventueel iets langer duurde. Zeker een half uur heeft het geduurd om de ladder

aan dek te krijgen. De stuurman en de roerganger hebben de worsteling, met stijgend genoegen gade geslagen.

De stuurman omdat hij zo snel een oplossing had gevonden om niet belachelijk te worden gemaakt, de roerganger

omdat er geprobeerd was het karwei op hem af te schuiven. Hij had de extra tijd aan het roer er best voor over.

 

Dick