Meester Greidanus
 
   De sloep met de whisky

   Hij is een grote man; wanneer hij je hut binnentreedt, vult hij de deuropening.
   Forse harige armen steken uit het witte uniform. Hij heeft een dikke kop; pientere ogen kijken je vanachter het montuur van de bril aan. 
   Hij is een echte Zeeuw; komt van Tholen in Zeeland. 
   Hij is bijna toe aan zijn pensioengerechtigde leeftijd. Zijn verschijning dwingt respect af.
   Meester Greidanus is hoofdwerktuigkundige op ons schip; hij wil, dat je hem met meester aanspreekt; niet met mijnheer. 
   Zijn hut is op het hoofddek aan stuurboord achter. In deze stuurboordgang wonen alle werktuigkundigen en stuurlieden.
   Hij heeft een hekel aan luie mensen en aan ieder, die verantwoordelijkheid aan anderen over laat. 
   Wanneer je als jonge man goed je best doet, dan is hij streng voor je, maar ook een leermeester en zeevader. 
   Hij is sterk in wiskunde en stelt regelmatig je kennis op de proef. 
   Zijn kennis van en belangstelling voor de sterrenhemel is ook groot.
   Wanneer je eindelijk na hard werken op het schip even rust neemt, voel je zijn grote handen, 
   die je als het ware optillen en aan dek neerzetten; meester Greidanus wijst dan naar de hemel en zegt: 
   “Kijk meestertje, daar gaat de Spoetnik”.
   In de havens mag je van hem bepaalde kroegen niet bezoeken.(Hij wel).
   Hij is blij met je, wanneer je op het schip goed met de diesels kunt omgaan.
   En je moet zorgen, dat het ijswater zo koud is, dat zijn tanden bijna vastvriezen.
   Het is een man uit het tijdperk van stoomschepen in tijden, dat niets kan en alles moet. 
   In de 2e wereldoorlog is hij ongeveer 35 jaar; zijn rang is derde werktuigkundige. 
   Hij heeft alles meegemaakt. 
   De meest wrede taferelen op zee zijn aan zijn ogen voorbijgegaan. 
   Beschietingen, brandende schepen, brandend water, torpederingen, zinkende schepen, doden en gewonden in de koude zee 
   of in reddingsloepen. Deze gruwelijkheden hebben hem een overlever gemaakt; het begrip angst is in zijn brein verdoofd. 
   Na zelf te zijn getorpedeerd, wordt hij opgevangen in Londen. 
   Daar heeft hij het niet kunnen opbrengen om in rust op een volgend schip te wachten; 
   hij is gaan werken bij het sterrenkundig instituut van Greenwich bij Londen. 
   Hij is daar zo van nut geweest, dat men hem daar vrij lang heeft vastgehouden. 
   Hij heeft vast wel onderscheidingen gekregen voor moed en doorzetting. 
   Van zijn collega’s heeft hij de bijnaam de sterrenwichelaar gekregen. 
   Wanneer het schip van werktuigkundige Greidanus varende in konvooi na torpederingen langszij een sloep met drenkelingen komt, 
   klimt hij als eerste uit eigen beweging in de sloep om te redden wat er te redden valt. 
   Hij kan dit, omdat hij groot en sterk is en geen angst kent. Soms wordt er nog geschoten.
   Tijdens het redden van mensen uit zee of uit een sloep is het dan ook van groot belang, dat dit zo snel mogelijk gebeurt 
   en dat het schip weer snel van de plaats des onheil weg is; dit om niet zelf te worden beschoten of getorpedeerd. 
   Soms wordt de eigen motorsloep te water gelaten om drenkelingen te redden. Hiermee heeft men veel mensenlevens kunnen redden.
   Greidanus ging dan ook mee voor de motor van de sloep. Eenmaal is het fout gegaan. 
   De sloep en het schip worden door een onderzeeboot beschoten, die boven water is gekomen, kennelijk om nog meer slachtoffers te maken. 
   De kapitein besluit snel te vertrekken en de sloep achter te laten; het is koppen tellen en wegvaren. Waar is Greidanus? 
   Hij is weer in de sloep geklommen om snel een fles whisky te redden, die nog in de sloep ligt, dat vindt hij zonde van het spul. 
   Daar is de gezagvoerder wel boos over geweest. 
   Het is gelukkig goed afgelopen. De sloep is wel verloren gegaan.  
   Na de tweede wereldoorlog is 3e werktuigkundige Greidanus doorgegroeid naar hoofdwerktuigkundige en heb ik hem mogen meemaken  
   als de technische baas van het schip, waarop ik heb gevaren.
   De Oberon maakt een 10 weken reis van Amsterdam door het Panama kanaal naar Peru en Chili met stukgoed en weer terug met 
   vismeel naar Europa. 
   Gedurende onze reis blijkt, dat het schip behoorlijk wat achterstallig onderhoud heeft.
   Daaruit zijn ernstige technische problemen ontstaan. We hebben veel moeten repareren.
   Een voordeel is, dat ik in mijn leertijd voldoende onderwerpen krijg om te beschrijven in mijn technisch dagboek (het memoriaal). 
   De tijd die mij beschikbaar is om het dagboek bij te houden is erg krap, het kan alleen op zondag. 
   Het wordt ook nog nagezien door de “baas”.
   Ondanks het vele werk hebben wij op dit schip heel fijn gevaren. 
   Kapitein en bemanning kunnen goed met elkaar overweg en dat maakt varen ook leuk. Verjaardagen worden gezellig gevierd. 
   Bij het passeren van de evenaar wordt het schip stil gelegd, om Neptunus met zijn gevolg welkom aan boord te heten. 
   Elke ongedoopte wordt uitgebreid geschoren en gedoopt; er is geen ontkomen aan.
   Men ontvangt een doopbewijs met mythologische doopnaam; de betekenis heb ik nooit ergens bevestigd gevonden. 
   De doopaktes zijn van de hand van Meester Greidanus.
   Ook het gezamenlijk vissen met de sloep is een feest. In eigen tijd wordt gezamenlijk een sloep gevierd. 
   Iedereen heeft dan een wit mutsje op tegen de tropenzon; eerst gaat een emmer ijs in de sloep en dan de rum en de glazen 
   en twee blikjes Cola, daarna het vistuig en de bemanning. Eigenlijk besef je nauwelijks wat een heerlijke momenten dat zijn.
   Er zijn wat muzikale zeelieden aan boord. Zelf heb ik veel teksten gemaakt voor de liedjes, die worden gespeeld. 
   Het zijn teksten op bestaande melodieën. 
   Sommige liedjes zijn later op de passagiersschepen gespeeld en gezongen. 
   Ook heb ik deelgenomen aan toneelstukjes; wij treden dan op voor bemanning en passagiers. 
   De voorstellingen stellen niets voor, maar het publiek vindt het leuk. En daar gaat het om.
   Op de thuisreis staat de laatste feestavond op het programma; het optreden van Snip en Snap moet het klapstuk worden. 
   Ik ben het kleintje, Rinus, de olieman, is de lange.
   Op het bakboordsloependek wordt het toneel opgezet, decors gemaakt en beschilderd. 
   Wij zijn nog onwetende van een dubbele rampspoed, die ons nadert. 
   Huiswaarts varende in het Panama kanaal begeeft in de laatste sluis de hoofdmotor het. 
   Wij worden door een sleepboot uit het Panama kanaal naar een veilige ankerplaats getrokken, om daar de hoofdmotor te repareren. 
   Met af en toe wat rust, zijn wij 72 uur aan één stuk in touw. 
   We slapen tussendoor even aan dek, omdat we te moe zijn om naar de (warme) hut te lopen.
   Na ruim drie etmalen is de grote dieselmotor weer in orde en vertrekt het schip.
   Gedurende de reis wordt de lading vismeel (in papieren zakken) continu geventileerd. 
   Het hele schip stinkt er naar.Het liedje “Mambo Vismeel” heb ik daarvoor geschreven.Mambo, mambo, mambo, mambo viiiiismeel. (2)
   Ja, iedereen geniet ervan, 
   De kok die gooit het in de pan,
   Oh vismeel we love you so.Helaas; nauwelijks bekomen van de grote reparatie ontstaat een nieuw probleem; 
   langzaam maar zeker wordt de lading warmer. 
   Er ontstaat broei. Dat kan je meten met thermometers in de ruimen. Van broei komt brand. 
   Midden op zee moet de broei in de lading onder controle worden gehouden. 
   De ruimen worden beurtelings geopend en worden met eigen laadgerei de zakken op dek gelegd; de verschroeide en rokende, 
   soms bijna brandende zakken worden overboord gezet. 
   De toestand verergert; om brand te voorkomen wordt de gehele bemanning ingezet.
   Meester Greidanus zet zijn technische dienst bijna volledig in. 
   Behalve enkele werktuigkundigen; zij moeten de machinekamer verzorgen. 
   Zo is op de brug ook sprake van een minimum bezetting.
   Na enkele lange werkdagen; het werk aan de toneelavond met Snip en Snap ligt stil. 
   Ik overleg met de andere “artiesten” en we besluiten om de avond te laten vervallen. 
   Na het avondeten wordt ik bij de kapitein ontboden. 
   Deze zegt te hebben gehoord, dat de toneelavond niet doorgaat. Dit bevestig ik. 
   Iedereen die vrij van dienst is valt doodmoe in zijn kooi; er zal niemand op de avond komen; is mijn mening.
   “Maar ik wil juist, dat de avond wel doorgaat”, zegt de gezagvoerder, “de mensen hebben die avond nodig. 
   Desnoods zet ik het werk in het ruim een dag stil.”
   De voorbereidingen worden afgemaakt; de werkroosters voor het broeiende vismeel worden aangepast en de feestavond kan plaatsvinden. 
   Vlak voor hun optreden van de ook wel vermoeide Snip & Snap krijgen beide de bibber. 
   Zij stappen naar het gezag en zeggen, dat ze plankenkoorts hebben.
   De kapitein zegt niets, staat op en pakt twee keer drie borrelglazen, zet ze op een rijtje en schenkt jenever in. 
   “Zo,” zegt hij: “Eén twee drie, leegmaken en wegwezen.” 
   Dat hebben we gedaan; het heeft gewerkt. Het werd zo’n avond.
   Het schip is met open ruimen goed de Atlantische oceaan overgekomen.
   Nabij Lands End worden we vanaf de kust aangesproken of alles goed gaat.
   Schip en grotendeels de lading zijn behouden in Amsterdam gearriveerd. 
   Voor het toelichten van de reparaties neemt meester Greidanus mij mee naar de chef van de technische dienst. 
   Dat is een hele eer voor een assistent werktuigkundige.
   Het verslag van de kapitein en de hoofdwerktuigkundige aan de directie heeft er toe geleid, dat de bemanning persoonlijk 
   een brief van de directie ontvangt en als dank een week extra betaald verlof heeft gekregen. 
   Terugkijkende heb ik gezien, wat een bijzondere man deze meester Greidanus in allerlei omstandigheden voor de zeevaart is geweest. 
   Eentje om trots op te zijn. (De oude brompot).
   ♫ 
   Eduard.