Onbemind.                Een verhaal van Dirk Rietel  

 

Aan boord van zeeschepen heeft alles zijn plaats, ook en misschien wel speciaal de mensen.

Zij zijn strikt van elkaar gescheiden door rang en functie. Er was op oude schepen,

waar de bemanningen groter waren dan tegenwoordig, een aantal mensen die niet direct onder

te brengen waren bij een bepaalde groep. Dat was de loodgieter, (op passagierschepen)  de elektricien en de marconist.

De laatste had het nadeel dat zijn werk, door de meeste opvarende, als niet direct noodzakelijk en soms zelfs

ongewenst werd beschouwd. Als onderweg, de haven van bestemming, niet Amsterdam maar Liverpool werd,

was de marconist de gebeten hond. Daarbij kwam dat hij bij de niet onder te brengen uitzonderingen hoorden.

De loodgieter en de elektricien werden, zij waren aan boord uitzonderingen omdat zij geen zeewacht liepen,

ondergebracht bij het machinekamerpersoneel. Zij werden geaccepteerd om de eenvoudige reden dat zij soms nodig waren,

om de voor ons onoverkomelijke storingen, op te lossen.

De marconist daarentegen  was in onze ogen een waardeloos product, nergens onder te brengen, hij hoorde bij de discipelen

van de kapitein deed zijn werk bij het stuurhuis in een geheimzinnig knetterhok, hij was altijd aanwezig, met één uitzondering,

als je hem nodig had was hij zoek. Dan leek het wel een politieagent, altijd ter plaatsen als je hem niet nodig hebt.

Een ander nadeel aan hem was, zijn antennes, in de haven moesten door de matrozen, om het laadgerei te gebruiken,

de antennes van de marconist worden weggehaald. Deze liepen van mast tot mast over het hele schip en daarnaast had hij ook nog

de beschikking over kortere antennes die van de voormast naar de schoorsteen of paalmasten liepen.

Wij vonden dat een overdaad, aan ons radiootje zat een stukje koperdraad als antenne, dat hing door de patrijspoort buitenboord en

als de marconist zijn zender niet gebruikte was de ontvangst goed. Telkens, als er zeeklaar werd gemaakt, wilden de marconist weten,

hoe laat zijn antennes opgezet zouden zijn. Onnodig te zeggen dat ze, bij een onsympathieke marconist,

pas op het laatste ogenblik werden opgezet.

Wij, de matrozen, keken altijd jaloers naar Amerikaanse schepen, die rustig, met de laadbomen omhoog de Oceaan overstaken.

Op een Hollands schip moesten ze voor een paar uur stomen worden neergenomen en in de mikken worden vastgezet.

Daarna moesten de antennes weer worden opgezet.

In de piep en knetterhut van de marconist was, gedurende de tijd dat de antennes niet opstonden, een waarschuwing op

zijn zender geplaatst niet te zenden. Op elk schip werden verhalen verteld van marconisten die de waarschuwing in de wind hadden

geslagen en toch de zender hadden gebruikt. De gevolgen waren volgens de verhalen catastrofaal, de antennes zouden gedurende

het zenden onder een zeer hoge elektrische spanning staan, waardoor bij aanraking, ernstige brandwonden konden ontstaan.

Gelukkig heb ik nooit meegemaakt dat er ongelukken zijn gebeurd, zodat ik het verhaal onderbracht bij de beroemde fabels.

Op latere sprietantennes stond echter een waarschuwing voor hoge spanning, ze waren bovendien nog beveiligd met een hekwerk,

er moet dus een kern van waarheid in het verhaal hebben gezeten. Toen de tijd aanbrak dat door zeelui radio’s werden meegenomen

waren de rapen pas goed gaar. Door het grote vermogen van de scheepszender werden onze radio’s gestoord en onbruikbaar.

Door de marconisten werd verondersteld dat wij, op ons radiootje, konden afluisteren wat er uitgezonden werd.

In principe kon dat ook, als wij het morseschrift van de marconist hadden kunnen volgen.

Deze gasten seinden zo snel, dat de letters die wij kenden zoals de a, de o de s en nog een paar bij zeelieden bekende letters,

met geen mogelijkheid tussen de andere piepen, konden onderscheiden. Van marconisten is bekend dat zij, in de binnen komende

seinen het handschrift van de zender konden zien, ongelooflijk maar waar. In andere verhalen heb ik al eens beschreven dat 

aan marconisten een steekje los zat. Het waren meestal vreemde vogels met merkwaardige gewoonten.

Het is mogelijk dat het door de verveling kwam, ik ben geen psy, het is dus maar een veronderstelling,

maar in dit geval kan het gezegde”ledigheid is des duivels oorkussen” van toepassing zijn.

Veel marconisten namen vrijwillig, (leuke) delen van het werk van de stuurlieden over, zoals de drank administratie.

Hij kreeg van de hofmeester door, hoeveel drank, door elk lid van de bemanning was gebruikt,

dat was de geoorloofde twee consumpties per dag, erg  veel moeilijkheden zal hij er niet mee hebben gehad.

Hij maakte er een staat van, per dag een half uurtje werk. Aan het einde van de reis werd de drankstaat bij de betaalmeester

ingeleverd en de kosten werd op de gage in mindering gebracht 

                                              Dick