Auto’s van “de Koperenploeg”

Zij moesten iets bijzonders zijn en dat waren zij ook. Onbekendheid met alles dat zich op wielen voortbewoog, werden auto’s gekocht die mooi glommen,

maar die in de praktijk in geen enkel geval aan de, door de vletterlieden buitengewoon hooggestelde eisen, voldeden.

De vraag blijft, was er wel één.


 

In de tijd dat onze eerste auto’s  werden gekocht was het bezit van een rijbewijs een uitzondering.

De kennis van auto’s was minimaal, zo werd door het bestuur geëist dat de bestuurder diesel ervaring had.

Deze eis werd gesteld omdat in het busje, van het merk Commer, een diesel motortje stond. Van de weinige leden met een autorijbewijs,

was niemand in het bezit van enige ervaring, op wat voor auto dan ook. Een eigen auto was alleen aan de upper ten voorbehouden.

De weinige auto’s in het bezit van de bootlieden zouden nu, bij het rijden naar de jaarlijkse keuring al afgekeurd zijn.

Alleen Kees de Rover had een redelijk autootje, een soort Trabant, hij had de moed om daar helemaal mee naar Oostenrijk te rijden.

Wonderlijk genoeg haalde het pruttelpotje de terug reis ook nog. Het bestuur was van mening dat, om het wagenpark [één auto] te berijden,

chauffeurs met diesel ervaring moesten worden aangenomen.

Later, toen het onbegrip omtrent het diesel rijden was opgelost, zijn de diesel chauffeurs bekwame en gewaardeerde bootmannen geworden.

De Commer had het nadeel dat hij was gebouwd met een benzinemotor, een dieselauto was niet zo snel te leveren, hij moest uit Engeland komen.

Daar begon de eerste moeilijkheid, in Engeland werd constant gestaakt, de ene staking was nog niet afgelopen of de andere was er alweer begonnen,

levering van onderdelen en auto’s was uitgesloten. Maar de importeur wist een handigheidje, hij had nog een diesel motor staan, die zou hij wel even

in het benzinebusje bouwen en het probleem was, volgens de expert, dat was een importeur toch, opgelost. Aan het feit dat de constructie van

de motor ophanging veel te licht was voor de zware dieselmotor, werd totaal geen aandacht geschonken.

Deze en ook de volgende auto’s zijn zorgenkinderen gebleven. De volgende auto, een Austinbus, een plaatje van een busje, hij voldeed aan alle eisen,

totdat het koud werd. Boze tongen beweerden, (alle tongen van de vletterlieden) dat het ding, opeens was het geen auto meer, gebouwd was voor de tropen.

De kachel was ver onder de maat, er kwam wel lucht uit het systeem, maar van enige verwarmde lucht was geen sprake.

Het baantje van chauffeur was door de kou niet meer in trek. De, bij de vletterlieden altijd aanwezige experts, wisten een oplossing.

Er moest een op dieselolie werkende blaaskachel worden ingebouwd.

 

 

Deze blaas kachel heeft buitengewoon goed gewerkt, buiten werd het lekker warm, in de auto werd je gerookt als een paling.

De experts waren het er over eens, het was overigens ook door de niet experts al waargenomen, de kachel werkte verkeert om.

Zelden heeft de kachel de warme lucht geblazen naar de plaats waar dat gewenst was, de rook trouwens ook niet.

De teleurstelling was groot, het bestuur kwam tot de conclusie dat de busjes niet aan de gestelde eisen voldeden en turnde 180° om.

Er moest een lelijk eendje worden gekocht, mocht het aanbod van passagiers groter zijn dan de capaciteit van de eend, was er geen man overboord.

Hij reed zo goedkoop dat er, in zo’n zeldzaam geval, twee ritten gemaakt zouden worden.

De resultaten waren schokkend, drie maanden later stond de monteur van de Citroën openlijk te huilen bij de aanblik van de auto.

Later bij een servicebeurt rende een monteur, toen het motorkapje werd geopend, met zijn armen boven zijn hoofd in opperste wanhoop weg.

Hij kon de transformatie niet aanzien, in korte tijd had een leuk autootje het aanzien gekregen van een blik waarmee gevoetbald was.

Het was beschamend, op het laatst had alleen de chauffeur een zitplaats, de rest van de stoeltjes ontbrak.

De bedrading, die oorspronkelijk in diverse kleuren was uitgevoerd, had miraculeus één kleur gekregen, namelijk geel.

Dit kunststuk was in eigen werkplaats, door Jan Hoff, na brand uitgevoerd.

De noodzaak om diverse kleuren te gebruiken werd als overbodig en kinderachtig van de hand gewezen.

Oorspronkelijk was het eendje gebouwd om vier personen te vervoeren inclusief de chauffeur, wij vonden ‘dat ze niet goed bij derlui kop waren”

als het dak open geschoven werd konden er wel acht man in, de chauffeur niet meegerekend.

Staand konden zo, een ongekend aantal personen vervoerd worden. Bovendien was uitgevonden dat een eend buitengewoon goed kan klimmen.

Daartoe was de proef op de som genomen, op de kolen bergen van de O B A. De eend kwam helemaal boven, helaas stond hij boven te

wankelen op de bodemplaat en raakten de wielen de kolen niet meer. De spectators moesten naar boven klimmen, om het

geplaagde autootje weer naar beneden te helpen, zij hadden meer moeite om boven te komen dan de eend.

Ondanks alles heeft de eend het langst van alle auto’ zijn werk gedaan.                                                  Dick.