De fiets van Ome Frans.

 


Het sigarenkistje op de fiets, verpakt in kranten papier en de door Ome Frans te volgen veilige route is al eerder ter sprake gekomen.

De fiets was het beschrijven meer dan waard. Het was een bijzonder stevig model, ik schat het bouwjaar ver voor de jaren veertig,

dus een vooroorlogs model. Met enige fantasie was deze fiets wat de geldtransportauto’s tegenwoordig is, zwaar en gepantserd.

De fiets was alleen met zeer veel krachtsinspanning vooruit te bewegen, snelheid van enige betekenis maken was uitgesloten.

De ouderdom van het vervoermiddel was een bewijs van de zorgen en bescherming die Ome Frans aan zijn fiets gaf.

Ondanks dat alles had Frits Gmelig de moed om te vragen of hij de fiets van Ome Frans even kon lenen.

Verwonderd en een beetje bezorgd gaf Ome Frans toestemming, mede omdat bezworen werd dat  het lenen slechts een zeer korte tijd zou duren.

Zo gezegd, der op en der af, daarbij zou de grootst mogelijke zorg aan het rijwiel worden besteed. Frits had echter een fiets, van het

merk en model als de fiets van Ome Frans, aan het dok op een oud ijzerhoop gevonden. De fiets was echter zo verfrommeld

alsof hij knijp had gezeten tussen twee locomotieven. Gedurende de terugvaart was de fiets schoon gemaakt en zoveel mogelijk opgepoetst.

De verfrommelde fiets werd zolang geparkeerd op de evenwichtbalk, in afwachting van het te leveren geintje. De fiets van Ome Frans werd,

bij de naast ons staande hokken van de tramonderhoud in bewaring gegeven. Het wrak werd sluipend, zodat Ome Frans niets zag,

van de evenwichtbalk naar onze fietsenstalling gebracht. Toen alles zover klaar was kwam Frits hinkend en meer dood als levend de

wacht binnen strompelen, vreemde kreten slakend waaronder, o god, o god, Ome Frans ik kon er niets aan doen.

Als door een schorpioen gestoken sprong Ome Frans op en zonder op de ogenschijnlijk zwaar gewonde Frits te letten schoot hij de fietsenstalling in.

Even waren we bang dat het geintje in een catastrofe zou eindigen Ome Frans werd bleek als een dode, kon geen woord uitbrengen en werd

vervolgens zo rood als een biet. Wij stonden bezorgd deze kameleon truc te bekijken.

Toen hij na verloop van enige tijd zijn adem terug kreeg, heb ik met de grootste verwondering geluisterd naar de hoeveelheid geluid dat uit een

betrekkelijk klein mannetje kan komen. Niet alleen aan decibellen, maar ook de bezweringen en de beloften, gedaan aan het kreupele slachtoffer,

waren niet van domme huizen.

Dat alles gebeurde met tranen in zijn ogen, ik weet heden ten dagen nog niet, of het van woede was of van verdriet over zijn deerlijk vernielde fiets.

Na enige tijd bedaarde Ome Frans, mede omdat de telefoon ging en een, volgens Ome Frans hoog geplaatst persoon aan de lijn was,

namelijk de agent van de Blauwpijper. Staande beantwoorde hij de oproep, tegenover de agent moest hij gelukkig zijn woede temperen.

Daarna kwam hij hoofdschuddend en sputterend het kantoortje uit en vroeg aan Frits of hij erg gewond was, zo ja dan moest hij even naar

het Binnengasthuis worden gebracht. Frits vond dat niet nodig, waarna Ome Frans wilde weten wat er gedaan werd aan de schade van zijn fiets.

Volgens Frits was er niets aan de hand, even tussen de bankschroef wat trekken met een talie en de fiets zou met enig trek en buigwerk weer

in zijn vooroorlogse staat terugkeren. Een flink vlammetje, om het zakie hier en daar heet te stoken, zou daar ook bij helpen.

Hij moest alleen Ome Frans waarschuwen dat de lak van zijn fiets er niet mooier op zou worden.

Om dat te verhelpen stelde Frits voor om de fiets, als hij in redelijke staat terug gebogen was, te behandelen met buitenboord verf.

Buitenboordverf droogde namelijk lekker snel, zodat Ome Frans ’s avonds rustig op zijn fiets naar huis kon.

De uitbarsting die hierop volgde overtrof de eerdere, niks trekken, niks heet stoken, niks buitenboord verf. Frits had er maar

voor te zorgen dat er een fiets kwam, ongeveer in een staat, of beter, dan de staat waarin zijn fiets verkeerde voor het een wrak werd.

Hij kon de gevaarlijke weg naar de Brouwersgracht niet lopend, met onder zijn arm het met geld gevulde sigarenkistje, maken.

Dat zou gelijk staan aan de Goden verzoeken om een overval. Daar kwam bij dat de volgende dag de weeklonen in het kistje vervoerd moesten worden.

Opeens realiseerde Ome Frans dat hij een sterk argument had en dreigde, geen fiets geen geld.

Onder dat dreigement moesten we de fiets van Ome Frans wel terug brengen.

We leefden in die tijd van een schamel loon en moeder de vrouw was blij als de week om was.

Geen reisgeld en geen loon waren ondenkbaar, we zouden geen prettig weekend hebben gehad en dat was het geintje ons niet waard.                                               

Dick.