Diefstal.


Op de Chilikust was altijd iets bijzonders te beleven. In Peru bijvoorbeeld had men een staats lucifer monopolie.

De lucifers waren daar ontzettend duur gemaakt, door de hoge belasting, daar zat voor een ondernemend zeeman natuurlijk handel in.

Wij namen Imco aanstekers mee en verkochten die aan de douanen. Het was niet raadzaam, om aan een ander persoon dan een douaneambtenaar,

je handelswaar te verkopen. Als je gesnapt werd verdween je gegarandeerd voor een jaar of langer in de gevangenis.

Als je kans zag daarin langer dan drie maanden te blijven leven, was je één van de zeer sterke.

Wij waren liever bloojan dan doojan de handel met de douanen was vruchtbaar genoeg.

Op de kust was prachtig filigrein zilver te koop, dat werd als souvenir mee naar huis genomen.

Het schip waar ik toen op voer was de Bennekom, een in de oorlog gebouwd Victoryschip. We huisden in de midscheeps en hadden Amerikaanse kooien,

die waren dubbel zo breed als de Hollandse. Er bevond zich zelfs een klok en een ijskast in de messroom, er zat weliswaar niets in de ijskast,

maar we hadden een ijskast, hoe dan ook. De luxe was voor ons groot in onze hut zaten twee grote patrijspoorten met ventilators er voor.

De patrijspoorten waren zo groot gemaakt dat men er bij noodgevallen door kon ontsnappen

De ventilators waren zo opgehangen dat ze konden worden weg geklapt, of naar binnen konden worden gericht op de kooien, we leefde in weelde.

De meeste opvarende hadden het schip uit de voorraad schepen in Amerika gehaald.

De Amerikanen hadden na de oorlog een groot overschot aan schepen die onder de mom van hulp werden verkocht.

Nadat we op de rivier bij Beunaventura voor anker waren gegaan werd de valreepwacht ingedeeld met de instructie, om geen enkele,

van de als dieven bekent staande handelaars, aan boord toe te laten. Al snel verschenen de eerste kano’s en bootjes,

deze maakte vast aan de valreep en de handelaars probeerde met hun handel aan boord te komen.

Ze werden terug gewezen maar drongen steeds verder naar boven, op laatst stond de hele trap vol met handelaren met hoeden, kralendoosjes,

houtsnijwerk en meer van dat souvenir spul.

De valreepwacht wist niet wat hij daarmee aan moest en riep om versterking.

Er vormde een opera-achtig toneel, aan dek stond de bemanning neer te kijken op het gekrioel van de op valreep hoopvol omhoog kijkende kooplui,

terwijl intussen de aangeboden koopwaar op waarden werd geschat.  

De stuurman van de wacht kwam ook kijken en gaf order de valreep een schrikje te geven, dat is een klein beetje vieren zodat er een schok ontstaat,

en dan weer vast te houden. In de hoop dat de kooplui bang geworden naar hun bootjes terug zouden gaan.

De valreepwacht, een beetje over zijn toeren geraakt, maakte te veel slagen van het touw los. Door het gewicht van de op de valreep staande mensen,

kon hij de valreep niet meer vasthouden, deze viel helemaal los en kwam verticaal te hangen.

Daardoor vielen alle op de valreep staande mensen tussen de bootjes te water.

De hele handel van huisvlijt en souvenirs zonk of dreef met de stroom mee naar zee.

Gelukkig zijn er geen ernstige gewonden gevallen. We zijn alleen een paar reddingboeien armer geworden, die hadden we de drenkelingen toegeworpen,

begrijpelijk werden ze niet terug gebracht. We hadden wel medelijden met de handelaren, maar we wisten dat veel van hen,

waarschijnlijk allemaal, als de kans zich voordeed, dieven waren.

’s Nachts werd zeewacht gelopen drie matrozen en een stuurman in de wacht. De stuurman liep deze wacht ter kooi, hij moest bij onraad geroepen worden.

De wacht op de brug zag een bootje onder de kop van het schip verdwijnen en er niet meer onder vandaan komen, hij waarschuwde de man aan dek,

deze ging kijken wat er aan de hand was. Het bootje was aan de ankerketting vast gemaakt en de twee mannen klommen langs de ankerketting omhoog.

Als zij aan dek zouden komen was er de mogelijkheid dat de wacht aangevallen zou worden.

Het enigste om dat te voorkomen was de ankerketting vieren dat werd gedaan en het bootje zonk achter de ketting aan.

De twee mannen vielen van de ketting en konden zich met stukken hout uit het bootje drijvend houden en naar de wal zwemmen.

Toen het anker een paar dagen later werd opgehieuwd, hing het bootje aan de ankerketting. Het werd losgesneden en verdween met de stroom mee,

de eerder te water geraakte souvenirs achterna, richting de Grote Oceaan

 

Dick.