Naar de warmte.


De H S M schepen voeren in de koude streken, van IJsland tot de Engelse Zuidkust als meest Zuidelijk gelegen stuk van hun operatie gebied.

Als jong zeeman wil je wel eens wat anders dan aldoor in de misère te zitten, het klimaat in onze en de nog Noordelijker streken is niet optimaal,

op zijn minst gezegd. Ik probeerde bij de

K N S M een schip te krijgen het lukte in één keer, de volgende dag monsteren en varen.

Waar de reis heen ging, of wat voor schip het was, wist ik niet het zou in elk geval om de Zuid gaan, de grotere schepen van de K N S M

hadden geen diensten die in de door mij gewraakte zone lag. Na het monsteren liep ik met een paar andere slachtoffers richting Surinamekade

waar het schip moest liggen. Er lagen inderdaad enige schepen maar de Euterpe het schip waar we op gemonsterd waren was nergens te bekennen.

Ver weg, bijna aan het eind van de kade, lag een pieremegochel dat de naam schip in geen geval verdiende en in onze optiek nooit de Euterpe kon zijn.

Voor alle zekerheid zijn we toch maar in de richting van het drijvend wonder gelopen en dichter bij werd onze vrees waar,

het vreemdsoortige ding was opgesierd met de naam Euterpe onze eerste blik ging naar de brug of er een stuurhuis was,

er was gelukkig een stuurhuis. Aan boord gekomen werd de disillusie nog groter, het foxholl, dat is het slaap en dag verblijf,

was inderdaad meer een hol dan een verblijf, de ankerkluis liep dwars door één van de kooien waardoor, voor de daar slapende bakkiesjongen,

weinig plaats over bleef. Gelukkig was ik geen bakkiesjongen meer, ik had promotie gemaakt en was matroos onder de gage.

Je deed hetzelfde werk als een matroos, misschien wel meer, maar zoals de benaming al uitwijst de betaling was een stuk minder.

Het schip zelf heb ik al in andere verhalen beschreven alles wat normaal was ontbrak op de Euterpe.

Er werd, na belading, koers gezet naar Antwerpen daar meerden we aan de Scheldekaai waar de K N S M een vaste ligplaats had.      

’s Avonds mochten we de wal op, waar de andere bleven kan ik nu raden, uit gesprekken de volgende dag hoorde ik dat café Bachus was bezocht,

alleen en uitsluitend omdat één van de bemanningsleden op het ss Bachus had gevaren.

Ik kwam met de bakkiesjongen op de Keizerlei terecht en hebben een deel van de stad bekeken. De volgende dag vertrokken we naar Lissabon,

de tijd waarin dit alles plaats vond was kort na de oorlog in Holland was nog gebrek aan alles. Veel dingen waren nog op de bon,

hier kwamen we in een land dat nauwelijks door de oorlog geleden had en het leek en paradijs.

We kwamen er snel achter dat schijn bedriegt. Nadat de lading gelost was moesten we props laden, dat zijn stukken boomstam voor de papierfabrieken,

daarbij werd het paradijselijke gevoel de bodem ingeslagen. Een aantal vrouwen kwam opmarcheren en er werd een tweede loopplank uitgelegd,

de vrouwe kregen een mandje op hun hoofd daar werden een paar stammetjes opgelegd ze werden door de vrouwen aan boord gebracht,

het was snel duidelijk waarvoor de tweede loopplank was, ze liepen in een niet aflatende stoet de ene plank op, de andere af.

Van het dek af werden de props in het ruim gekieperd, waar ander vrouwen met levensgevaar de bijna ononderbroken vallende props netjes stuwden.

Tijdens de maaltijden kwamen de vrouwen bedelen om eten. Gedurende de lig tijd in Lissabon, liepen er veel hongerige bemanningsleden rond.

Met onze eigen honger periode nog vers in het geheugen, hebben we heel wat geofferd.

Er wordt op schepen vrij veel overgebleven etensresten overboord gezet, in Lissabon is geen kruimel weggegooid.

Toen de ruimen vol waren werd aan dek kurk geladen, vol afschuw keken wij toe hoe de toegang van ons verblijf steeds kleiner werd,

we moesten als een Alpinist tegen de deklading opklimmen die aan de bovenkant op stuurhuis hoogte lag.

Er was één voordeel, alleen voor het dek personeel, we konden van de deklast zo het stuurhuis instappen,

de stokers moesten over de brugvleugel een trap extra naar beneden de machinekamer in.

De reis was een uitzondering, normaal voer de Euterpe op de Oostzee, daar ging dan ook prompt de volgende reis naar toe.

Ik was van pissebed in kakkebed gekomen de Oostzee is wat kou betreft nog een haartje erger dan de Noordzee.

Een grote ergernis voor ons was, dat de kapitein op Terschelling woonde, zijn familie kon het schip langs zien komen.

Om goed te laten zien dat hij langs kwam ging hij aan de stoomfluit hangen, na een hoop gepruttel en gesis kwam er dan enig geluid uit.

Aan de wal was dat niet te horen, alleen te zien. Als al onze stoom was weg, lagen we door stoomgebrek nagenoeg stil.

Er moest opnieuw stoom gemaakt worden, daardoor waren wij een paar uur later thuis.

Ik heb niet lang op de Euterpe gezeten  het was te koud,  ik wilde de warmte in.

Dat gebeurde, mijn volgende schip de van Ostade, ook dat was een bijzonder schip, om met de vader van Dik Trom te spreken “en dat was het.“

 

Dick.