Omzwerving door het zeeverleden.
   -----------------------------------------------
   Inleiding
   -----------------------------------------------
 Zomaar wordt, wat ver achter je ligt, weer interessant. Je bent met pensioen. Je kinderen vragen wat. 
 Je schrijft wat herinneringen op. Lidmaatschap van een club voor oudgedienden. 
 Daar liggen ook nog vragen. Collega’s gaan dood of zijn al overleden. Dan denk je: 
 Wanneer ik niet vastleg, wat ik nog weet, gaat het verloren. 
 Niet alles, wat men in zijn leven meemaakt, is van belang voor later. Ik probeer het kort te houden.
 Een legaal dubbel leven
 Een zeevarende heeft tijdens zijn vaarperiode een dubbel leven; het zou kunnen zijn, dat een aantal belevenissen uit die tijd voor 
 familie of anderen leuk genoeg zijn om te lezen of te weten.
 Hoe een jonge zeeman opgroeit.
 Mijn werk op het schip heb ik altijd het mooiste beroep gevonden. 
 Helaas staat in mijn vaarperiode weinig compensatie tegenover het gemis van het gezin. 
 En men moet zijn studie zelf betalen en daarvoor het verdiende overwerk als tijd voor tijd verlof opmaken. Het salaris versus de 
 verantwoordelijkheden aan boord valt het ook tegen. 
 Na 8 jaar grote vaart heb ik gekozen voor werk aan wal. 
 Met lichte droefheid en in goede verstandhouding heb ik op de Suriname kade afscheid genomen van schip en mensen; vaarwel zeemansloopbaan. 
 Later heb ik een afgedankte reddingssloep gekocht; nu vaar ik toch een beetje.
 Nu achter mijn bureau maak ik in gedachten de reizen uit mijn vaarverleden. 
 In 10 jaar maakt men veel reizen en passeren veel schepen de revue.
   De atlas dient hierbij als ondersteuning.
   --------------------------------------------------
   Zeemansloopbaan 1 (khv.) 
 --------------------------------------------------

 Als 16 jarige heb ik mij een monsterboek aangeschaft; compleet met foto en vingerafdruk. Ik trek heel jong het zeegat uit. 
 In de schoolvakantie heb ik als “Jonkie van 100 gulden” een 6 wekenreis gemaakt op ms. “Amstelborg”. 
 Op de bemanning van dit schip kijk ik met veel respect terug; in mijn ogen zijn het beste zeelui. 
 Bij aankomst in Delfzijl dient het schoonschip te zijn, dat is het ook. Een inspecteur controleert het schip; ook mijn poetswerk aan de messing dorpels. 
 Toen weer verder gegaan met school afmaken.
 Omdat enkele stukken in mijn jeugd niet zo harmonisch verlopen, heb ik na het behalen van mijn schooldiploma 
 opnieuw het monsterboek opgepakt en ben ik het zeegat uitgetrokken. 
 Op vier kustvaarders heb ik gediend als lichtmatroos, matroos o/g, matroos/bootsman en 3e machinist. 
 Bij mijn eerste vertrek stopt mijn moeder mij een lange onderbroek en bijpassend hemd toe. 
 “Weet u wel hoe oud ik ben?” Heb ik haar toegeroepen. ’s Winters in de Oostzee heb ik hem graag aangetrokken. 
 Het is een boeiend leven. Het zijn mooie en lelijke herinneringen. De schepelingen zijn meestal beroepszeelui, 
 maar ook zijn er mensen bij met een heel andere achtergrond; onervarenheid kan gevaarlijk zijn. Het gaat er soms hard aan toe. 
 Men moet opkomen voor zijn rechten. Op drie van de vier schepen zijn conflicten geweest; altijd over overwerk of slechte voeding. 
 Mijn hulp aan collega’s om aan boord recht te verkrijgen, heeft mij de negatieve titel “de varende advocaat” opgeleverd. 
 Dit heeft eens geleid tot een verzoek om ontslag te nemen; anders zou ik het wel een keer krijgen. Genomen dus! 
 Dezelfde baas heeft later bij school gestaan, om mij na de diploma-uitreiking weer terug te halen. Wij zijn elkaar misgelopen. 
 Mijn laatste kustvaarder, waarop ik derde machinist ben geweest, is mij zeer dierbaar. Mijn moeder ontdekt in die tijd een 
 adres voor studiebeurzen en op die reis heeft ook de kapitein, met wie ik goed overweg kan, mij het laatste duwtje gegeven om te gaan studeren. 
 Voor mijn studie ben ik bij een oud-kapitein in Groningen in pension geweest. 
 ---------------------------------------------------------------------
 De reizen.
 ---------------------------------------------------------------------
 We zijn overal in Europa geweest: Van Archangelsk tot Napels. Wat is de wereld mooi. En wat is de zee afwisselend. 
 We hebben in het ijs gevaren, de “White cliffs of Dover” gezien; we zijn in mei in de Noorse fjorden geweest; 
 we hebben er bergen beklommen en zijn door de stroomversnellingen gevaren van de Zweedse kust; 
 zelfs het Gotha- kanaal naar de Venersee op 60 meter boven zeeniveau is bekend gebied. En wanneer men zich realiseert, 
 dat deze wateren in de 17e eeuw ook al bezeild zijn, dan heb ik veel respect voor zeelui uit die tijd.
 ---------------------------------------------------------------
 Het weer
 ---------------------------------------------------------------
 De Noordzee staat in de winter bekend als een onstuimig water. 
 Booreilanden, welke zich hier kunnen handhaven, zijn bijna overal op de wereld te plaatsen.
 Op dat zeetje varen wij heel veel. Bij goed en bij slecht weer; altijd varen. 
 Een enkele maal heeft men met een leeg schip op beter weer gewacht. 
 Tijdens mist sta je voorop de bak te luisteren; de dikke jas voelt aan als een dun vloeitje. Radar hebben de schepen niet, dat ben jij. 
 Tijdens depressies: een zware noordwester slaat vlak voor de pieren IJmuiden met één grote breker 2/3e deel van de deklast er af. 
 Met ernstige slagzij varen wij IJmuiden binnen. Een ander maal maakt het schip met nat hout dagen lang 19 graden slagzij. 
 Tijdens een andere storm bij Terschelling zijn we met leeg schip bijna op de zandbanken verwaaid. 
 De lading bestaat meestal uit: hout, aardappels, cokes, China klei, ijzer, ijzererts, broodjes tin, teer of niets. 
 Dit laatste heet in ballast varen.
 
--------------------------------------------------------------------------------------------------------
   Werkomstandigheden
   --------------------------------------------------------------------------------------------------------
   Het werk aan dek is veelzijdig en niet voor zeurpieten. Meestal varen wij bulk. Daarna moeten de ruimen worden schoongemaakt; een smerig werkje. 
   Zeeklaar maken van deze schepen is volledig handwerk. Ruimen worden waterdicht gemaakt met eiken luiken op stalen draagbinten 
   en daar dubbel overheen de persenningen, deze worden met keggen vast geslagen. Daarna worden stalen sluitbalken erop vast geschroefd. 
   Voor elk vertrek dient dit alles te gebeuren, anders ben je niet zeewaardig. Het sturen en de navigatie zijn de 
   leukste onderdelen en de zondag op zee is meestal gezellig. 
   Voor het onderhoud heb ik elk stukje van het schip bewerkt; vanaf het plimsollmerk op de waterlijn tot de masttop. 
   Daarnaast helpt de lichtmatroos de kok aardappels schillen, hij wast de werkkleding van de bemanning (extraatje) 
   en maakt hij de gemeenschappelijke ruimtes schoon. En als er een hond aan boord is, dan heeft hij een vriend. 
   De accommodatie is soms heel goed en soms om van te huilen. Dit hangt ook nog af van het type schip. 
   Shelterdeck schepen hebben de beste accommodatie. Van het werk op een kustvaarder krijg je honger en verwacht je een stevige pot. 
   Helaas; op voeding en overwerk kan het schip de kosten drukken. 
   Slechte voeding is het meest erge en heeft bij ons dan ook geleid tot calamiteiten, 
   zoals ruzies, werkweigering, arrestaties en gevangen zitten in een vreemde haven. 
   Bij het laatste voorval heb ik vanuit Nederland bijgedragen tot rehabilitatie van ten onrechte gearresteerde collega’s.(Ik was toen 19 jaar). 
   Er is ook veel vriendschap en veel avontuur. Het is een apart leven daar op de wilde vaart.
   ----------------------------------------------------------------------------------------------
   Zeevaartschool periode
   ----------------------------------------------------------------------------------------------
  Zeemansloopbaan 2 (ghv.)
   Na het doorlopen van de Academie Minerva in Groningen, ben ik in dienst getreden als leerling werktuigkundige bij 
   Koninklijke Nederlandse Stoomboot Maatschappij te Amsterdam. 
   Van leerling tot en met 2e werktuigkundige heb ik 50 jaar geleden ruim 20 schepen bevaren, 
   waarvan op sommige meerdere reizen. Het is moeilijk om nu mensen en schepen nog samen te plaatsen.
  MS Attis 
   18 Augustus 1960 tot 9 november 1960 
   Mijn eerste schip is ms. Attis als leerling-werktuigkundige . 
  
   Vanuit de kleine handelsvaart kom ik in een heel andere wereld terecht
   Er wordt uniform gedragen; er is veel meer discipline, een betere verzorging en ik moet een werkdagboek bijhouden. 
   De reis begint met schuld; de uitrusting kost 6 maandsalarissen. 
   Op de Atlantische Oceaan worden allerlei apparaten nagezien, zodat het schip op de bestemmingen goed kan lossen en laden. 
   In de vrije uurtjes wordt op de oceaan ook nog gezonnebaad. Ik ben in slaap gevallen en heb mijn voetzolen verbrand. 
   Daarna neem je elke stap heel bedachtzaam. De Atlantische oceaan en de Caribische zee zijn zo indrukwekkend mooi, wijds en helder. 
   De eilanden zijn mooi van vorm en natuur en New Orléans is een muzikale wereld, om niet te vergeten. 
   Door de scheepsleiding wordt op de leerling gelet; wangedrag (aan wal) wordt niet geduld. In bepaalde kroegen wil men je niet zien. 
   Het werkverslag wordt wekelijks gecontroleerd. Wanneer aan de leerling tijdens diensturen geen werk wordt opgedragen, 
   dan dient hij bezig te zijn om zijn kennis van schip en techniek te vergroten. 
   Een keer zit ik in een hoekje afgezonderd onder de ventilator de krant te lezen. 
   Dit is vragen om problemen. De chef wenkt mij naar hem toe en zegt: “Je weet alles al”. 
   Onmiddellijk wordt mijn kennis van het schip getest. 
   Maak je een foutje, dan volgt een berisping. Wanneer ervaren collega’s technische fouten maken, 
   dan kan onze chef ontzettend tekeer gaan; zo heb ik ook een blunder begaan. Ik moet op het welbekende matje komen. 
   Ik klop netjes aan en sta daar met de kop een beetje omlaag te wachten op de tirade, welke over mij zal losbarsten. 
   Hij zegt: ”Deze blunder heb ik van jou niet verwacht; je kunt gaan!”  Geen tirade? Dit is veel erger! 
   Met mijn ziel onder mijn arm ben ik weggaan.
   De Attis is een warm schip; de machinekamer is volgebouwd en zit goed in de olie of vet; vooral wanneer het schip slingert, 
   dan gutst de warme olie met water langs je heen. 
   Hierdoor lijken de witte overalls al snel op camouflagepakken; soms komen ze roze terug van de wasserij. 
   Aan boord voel ik mij al gauw thuis. Het werk wordt goed gepland en duurt het werk langer, dan eten de werkers gezamenlijk wat later. 
   Het overwerk wordt netjes bijgehouden en wanneer de leerling iets slims zegt, dan krijgt hij een schouderklopje. 
   Men is vriendelijk en bereid om kennis over te dragen. Verjaardagen zijn leuk; mijn verjaardag kost mij een half maandsalaris. 
   Wanneer ik van de schrik bekomen ben, vereffenen de collega’s de drankschuld; zo doen ze dat bij leerlingen. 
   Het leven aan boord bevalt mij zo goed, dat ik dit in mijn enthousiasme begin te idealiseren. 
   Mijn chef geeft mij in deze op een terrasje een tip daarvoor. “Ga met iedereen open en onbevangen om, maar onthoud, 
   dat je van bovenaf wordt gezien als werkkracht met een waarde; bijvoorbeeld: 
   Onze chef is 5 pk, ik ben 4 pk, de assistent is 1 pk en jij bent een 1/2 pk.” Hiervan akte.
   Dekdienst, civiele dienst, technische dienst en telegrafist varen samen het schip van 
   haven tot haven als een soort grote van Gent & Loos met telefoon. 
   Nu eens wordt een haven aangelopen voor slechts 15 ton bezemstelen, ander maal is dit voor 500 ton koffie.
   Deze reis bevat een slinger naar de Golf van Mexico; laatste haven Paramaribo. 
   In deze haven komt de laatste vracht aan boord; dan is het schip geladen voor Europa. Wat jammer, 
   dat wij vandaag zover van Suriname verwijderd zijn. 
   Het is een wereld met aardige mensen; zij spreken onze taal.
   Paramaribo herinner ik mij als een houten stad met zwembad; men kan er literflessen koud bier drinken; 
   er zijn enkele mooie nachtclubs, restaurants. 
   Er woont een mengelmoes van Indische, Pakistaanse en Afrikaanse en Europese Surinamers. 
   De originele bewoners, de indianen, komt men pas verder landinwaarts tegen. Katrien komt aan boord, een Surinaamse; 
   ze neemt voor kleingeld bestellingen aan, die krijg je heel smakelijk in een palmblad geleverd. 
   Men zegt, kijk niet in haar keukentje; dat heb ik niet gedaan. De avond van aankomst in de stad een grote Heineken gedronken 
   en later hebben wij met zijn zessen op het dakterras van een Hindoestaans restaurant gegeten. 
   We zien Nederlandse militairen in Suriname; die zitten er voor een oerwoud training. 
   De volgende dag is het schip geladen en na het avondeten vertrekken wij voor de oversteek met bestemming Amsterdam. 
   We zoeken eerst nog eens flink naar verstekelingen en de machine draait ons weg van de kade. 
   Wanneer wij op de delta varen, maakt een olieman gevaarlijk amok; het schip stopt en hij wordt door een politieboot van boord gehaald. Jammer.
   Op 9 nov. 1960 ben ik in Amsterdam van mijn eerste IS-boot afgemonsterd.
  Eduard, maart 2009