een verhaal van Aad Schol

 

                                              Een tragische geschiedenis

 

Achteraf besef ik wel dat ik een schuldig feit heb gepleegd. Maar de moeder behield haar uitkering en de verloofde is altijd in de veronderstelling gebleven dat haar jongen overboord is geslagen. Als ik mij wel aan de regels had gehouden had de moeder in armoede en de verloofde met een naar verhaal verder gemoeten. Of ik het verkeerd heb gedaan? . Leest u dit verslag en oordeel daarna zelf.

 

Hout laden in de witte zee. Ik spreek van vlak voor de Tweede Wereldoorlog. Deze keer was het niet Archangel, waar we meestal laden, maar een klein haventje in de golf van Kandalaksha. Daar kwamen weinig schepen en het laden ging er in een rustig tempo. Ik had orders meegekregen om de partijen voor de verschillende ontvangers in die en die volgorde te laden en dan natuurlijk, voor de stabiliteit, het zwaardere hout onderin en het lichtere boven. In Archangel lukte dat meestal niet; daar hadden ze een eigen wil.

De eerste nacht begonnen de mannen en vrouwen(!) met het laden op de door mij gewenste manier. Het was midden in de zomer en heerlijk weer. Gelukkig werd er niet dag en nacht gewerkt. Om zeven uur s avonds werden de tenten opgezet en hadden we alle tijd voor een beetje ontspanning. Het water was daar op goede temperatuur om te zwemmen dus lag de hele ploeg veel in het water.

Toen we na een aantal dagen beladen waren voeren we onder loodsaanwijzing de baai uit. Het ging via de Witte zee, langs de Russische kust en om de Noordkaap op weg naar Rotterdam. Met dat mooie weer leken we het voorlopig voor elkaar te hebben.

De volgende morgen, ik zat net aan het ontbijt, kwam een stoker bij me.

“Kapitein, Gerrit is weg. Hij is van wacht gekomen en hij is niet in zijn kooi en nergens anders op het schip te vinden.”

Gerrit was een jonge tremmer, een aardige eerlijke knul uit Rotterdam.

Ik liet mijn ontbijt voor wat het was en holde in alarmtoestand naar de brug. Daar gaf ik de roerganger opdracht om meteen op tegenkoers te gaan liggen. Hierna stuurde ik een man met een kijker in de zaling van de voormast en een in de achtermast, om te zien of ze iemand zagen zwemmen. Ik moet zeggen dat die kans heel klein was want de temperatuur van het oceaanwater was hier hooguit drie graden Celsius en daar leef je niet lang in.

Na een half uur of drie kwartier zijn we weer omgekeerd en hebben we lange tijd zigzaggend en alsmaar uitkijkend gevaren.

Er kwam een ogenblik dat ik moest opgeven. We moesten de thuisreis vervolgen.

Toen we weer vol-aan voeren stond er een aantal mannen op de kont naar het steeds langer wordende spoor van het schroefwater te kijken. Ik had niet de indruk dat iemand iets zei; ze namen op hun eigen manier in stilte afscheid van die jongen.

Ik wilde zo gauw mogelijk getuigenverklaringen verzamelen. Daarvoor liet ik verschillende mensen bij mij komen; vooral oudere matrozen en stokers.

“Ik moet nu in het journaal verklaren dat Gerrit weg is en dat moeten jullie beamen. Maar ik verklaar hierbij ook dat alle voorzorgmaatregelen genomen zijn. De hoge deklast is goed afgeschut met touwen langs de stutten die boven de deklast uitsteken.

Maar het kan natuurlijk altijd gebeuren dat je er tussendoor schiet en overboord gaat.

De mannen mompelden instemmend en waren het er mee eens dat alle voorzorgmaatregelen genomen waren. Ik heb dat allemaal opgenomen en er een verklaring van gemaakt. We gingen verder op de thuisreis met de vlag halfstok.

Die avond om een uur of tien klopte de oude donkeyman, een Nieuwedieper, op de deur van mijn hut. Hij was van wacht gekomen en wilde gaan mandiën.

“Kapitein, ik kom in mijn hut en er ligt een brief op tafel, asjeblieft”.

Hij overhandigde mij die brief en ik las hem. Het was een schrijven van Gerrit aan die donkeyman. Hij schreef dat hij overboord was gesprongen.

Ik keek de donkey strak aan en vroeg: “Weet iemand van deze brief?”

”Nee kapitein, toen ik hem vond ben ik meteen naar u toegekomen. Ik heb er niemand iets van gezegd. “Dus ik kan er van op aan dat niemand er iets van weet?”

“Ja kapiten, daar kunt u van opaan en ik zal er vanzelf met geen mens over spreken.”

“Donkey, verscheur die brief, verscheur hem in duizend snippers en gooi de zaak aan lijzij overboord.”

Ik had het idee, en eigenlijk stond dat ook wel in die brief, dat die jongen uit wanhoop overboord was gesprongen. Hij was met een van de vrouwelijke bootwerkers meegegaan en had tot zijn schrik een druiper opgelopen.

Nou is dat van de geslachtziektes de minst erge en het beste te genezen. Dus het was helemaal niet nodig geweest dat die jongen zo in de put was geraakt.

Tijdens de reis had hij me eens verteld dat zijn geld naar zijn oude moeder ging.

Ook had hij verteld dat hij verloofd was. Ik dacht dat het voor hem wel een verschrikkelijke zaak moet zijn geweest als ze thuis achter de werkelijke toedracht van de zaak waren gekomen. Ik rekende er op om van de donkeyman op aan te kunnen en besloot de ware gang van zaken voor me te houden. Die jongeman was overboord gevallen, overboord geraakt.

Zo kwam ik met de vlag halfstok Rotterdam binnen. Lang daarna heb ik mij nog dikwijls afgevraagd of mijn wijze van handelen wel de juiste is geweest. Hoe dan ook, de moeder behield haar uitkering en het meisje goede herinneringen aan haar verloofde.

En ik, ik ging weer naar zee. Nu en dan bladerde ik wel eens in het journaal op zoek naar de betreffende bladzijde. Telkens weer verontschuldigde ik mijzelf voor deze leugen op bladzijde zo en zoveel. En telkens ook realiseerde ik mij dat er veel echte kerels op deze aarde zijn; waaronder die oude donkey uit Nieuwediep.”