††††††††††††††††††††††††††††††††† Corpus Delicti
††††††††††††††
een verhaaltje uit het boek "Drijfijs"

Op de heetste plaats en in het hart van het stoomschip, op de stookplaat voor de deuren van de vuurhaard deed de wacht, het zwarte koor, zijn plicht. De tremmer bracht de kolen in een ijzeren kruiwagen van de bunkers naar de plaat waar de stoker dan het aangevoerde in de vuurgang gooide. De derde man van de wacht, de donkeyman, zat achter de zweterige rug van de stoker op een omgekeerde slakemmer en dronk een pijpje bier.

De donkey zoals hij kortweg genoemd werd dronk graag een biertje. Hij had zelfs het uiterlijk van een pijpje, want bekeken van navel tot nek was hij gelijkmatig rond. Volgens de stoker was de doorsnede van de donkey's buik groter dan de vuurmond van de ketel. Deze gedachte had hij eens geuit tegen de tremmer, die er echter een andere mening op nahield. -Volgens mij is de vuurmond toch nog een ietsje wijder-, had hij toen geantwoord.
De donkey had als gewoonte vier tinnetjes achter elkaar te drinken. De lege blikjes wierp hij dan rakelings langs het oor van de stoker in de vuurhaard dan als de deuren openstonden. De stoker mocht de donkey niet. Want vaak, vooral bij slecht weer en slingerend schip en nog vaker na het vierde tinnetje was de koers van het blikje niet erg vast en vloog niet langs maar tegen het oor van de stoker. En hieraan had de stoker een hekel. Ook de tremmer had de donkey niet erg hoog zitten en hield de man het liefst op vier streken. Vaak als hij dacht voorlopig genoeg kolen naar de plaat gebracht te hebben en net van plan was om het eventjes rustiger aan te doen zei de donkey gewoonlijk: "Ga de slakemmer maar eens legen, mol". Zo noemde hij de tremmer meestal. Dus rust was er voor hem weinig bij, want de slakemmer was altijd vol.
Deze moest hij onder de luchthapper slepen en dan met behulp van een derde handje aan dek hijsen, waarna hij zelf naar boven moest om de slak in zee te scheppen. Zo ook dit keer. Net toen hij uit zijn mijnschacht, zo noemde hij de kolenbunkers, kwam met naar zijn mening de laatste kruiwagen van deze wacht, zei de donkey: "Nog een wagentje kolen en dan nog een keertje naar dek met je slak, dan heb je het er op zitten." Dan zit ik wel weer in mijn overtime, dacht de tremmer. Zeker met het aanschietende zeetje van vandaag.
Een kwartier later terugkomend met zijn kruiwagen was de stoker alleen op de plaat. De slakemmer was weer eens vol, die moest nog naar dek en geleegd worden. Bij het in zee scheppen, tussen de overkomende zeeŽn en nat wordend van het buiswater, bemerkte hij dat er zich tussen de slak een ongeopend en van de hitte rond geworden biertinnetje zat. Vreemd dacht hij. Maar veel tijd om hier over na te denken gunde hij zich niet. Hij zat toch al in zijn, weliswaar onbetaalde, overtime.
Bij het begin van de volgende wacht ontbrak de donkeyman. Hij werd zelfs na uitgebreid zoeken niet gevonden. En in het journaal kwam de vermelding, dat donkeyman Johannes Hoogteilen op de hondewacht als vermist werd opgegeven en hoogstwaarschijnlijk met het slechte weer bij een overkomend zeetje over boord was geslagen.