D e a d   S l o w   A h e a d …  

 

Met het verstrijken van de tijd zijn deze verhalen van de zee gegroeid.     

Voor de goede verstaander, daar zijn wel zo’n veertig jaren in gaan zitten! Toch kan de lezer er gerust op zijn dat ze ‘waar gebeurd’ zijn.

Tot op zekere hoogte, weliswaar, want de verteller is er zich van bewust dat hij zich wel eens door de overvloed aan herinneringen

heeft laten meeslepen. Maar soms ook het geheugen een handje heeft moeten helpen.

De verhalen spelen zich af in de tweede helft van de twintigste eeuw, een vijftiental jaren na de Tweede Wereld Oorlog.

Nog vóór de grote containerschepen verschijnen…

                                        

Op de eerste reis bent u aan boord van een bekend schip uit die tijd, een ‘Victory’. Gebouwd in 1945 in Baltimore (USA) als

Antioch Victory’, vaart het in dit verhaal als stoomschip ‘Breda’ voor een Nederlandse Scheepvaart Maatschappij,

die  het woord ‘Koninklijk’ in haar naam mag voeren, maar er niet echt in slaagt dat privilege met de bemanningen van haar schepen te delen.

Het schip is 150 meter lang en 20 meter breed. Het wordt voortbewogen door een stoomturbine en kan zestien knopen halen,

zo’n dertig kilometer per uur. Niet slecht, zelfs vergeleken met de snelheden van tegenwoordig!

Echt ‘mooi’ is het niet, ronduit ‘lelijk’ voor sommigen: een rechte voorsteven, drie luiken vóór de brug, een wat gedrongen,

‘vierkante’ opbouw midscheeps met een smalle, hoge schoorsteen, en twee ruimen achter.

Het draagvermogen is 10.000 ton, de lading bestaat meestal uit ‘stukgoed’ voor de uitreis naar de West en stortlading,

zoals ijzererts van de Orinoco, voor de reis terug naar Europa. ‘Ouderwets’ dit alles, met veertien laadbomen en een zware spier,

houten luiken, afgedekt door zeildoek, de accommodatie kaal en Spartaans, maar wel vertrouwd en met een heel eigen, haast stoere, charme.

En zo is het nu  17 januari 1961 … ,   

                                                                                                                                                        

…als we de Boca Grande doorvaren, de Golf van Paria in, en 10 uur in de ochtend.

De nieuwe dag heeft alle belofte van schoonheid vervaagd. Vóór ons een trillend hete binnenzee, zwevende boortorens

en een enkele schoener met lusteloos slaande zeilen.

Tegen de middag is de ‘Breda’ op de rede van Port of Spain (Trinidad), een oude Spaans/Engelse havenstad.

We gaan ten anker buiten de smalle geul die over de ondiepten naar de kade leidt, in afwachting van de loods.

Er zijn mensen aan boord die hun ongeduld over dit oponthoud nauwelijks kunnen verbergen. ‘Ome Kees’, vrijgezel en poetser van beroep

en met een indrukwekkende, zij het wat mistige staat van dienst, die volgens sommige bronnen nog teruggaat naar de laatste dagen

van de grote zeilvaart, vertel je blijkbaar iets nieuws als je hem er op zijn vraag ”Wanneer komen we aan, stuurman?”

voorzichtig op wijst dat we “er al zijn”.

De loods laat op zich wachten. Er is geen plaats langs de kant en morgen is wéér een dag.

In de avond verschijnt de agent die vertelt dat ook hij niets weet. “Mañana,” klinkt het niet erg overtuigend.

De bootwerkers zijn een ‘slow-down’ actie begonnen. Insiders knikken begrijpend: er wordt niet gewerkt.

Een ontspannen uurtje of zo aan dek, met de nodige biertjes, alstublieft, dank u wel, en dan de ‘voddenhoop’ in voor een boerennacht.                  

 

                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                         

  ’s Anderendaags, verblindende werkelijkheid van het leven aan boord van een schip in de tropen.

Eén gonzende bijenkorf, vol geluid en toch ‘stil’. Zinderende hitte. Vijfmaal vaart een loodsbootje op ons(?) af, maar het is steeds

een ander schip dat anker opgaat. De zesde loods is wél voor ons. “Hieuw away anker,” een treffend staaltje van steenkolen Engels,

en een uur later stevig met bakboordszijde tegen de kade gemeerd. Zie scheepsjournaal.

We gaan een schip lossen: keggen los hameren, presennings opvouwen, houten luikplanken aan dek opstapelen,

schilden uit de weg hijsen, laadbomen stellen; de binnenboom mooi boven de lading, de buitenboom flink ver over de kade.

Het voltallige matrozenkorps is uitgelaten bij het vooruitzicht van een avondje stappen, met een rondje langs Zeemanshuis

en andere gelijksoortige(?) oorden van vermaak. Géén bootwerkers. Pas twee uur later verschijnt er een ploegbaas.

Zonder meer  beveelt hij de laadbomen anders te stellen, een beetje hoger, beetje verder, nogal vaag.

Op onze vraag “Hoe veel?” wordt hij nóg vager. “Anders,” is het enige dat hij kwijt wil.

De bomen worden dus anders gesteld, de man is tevreden met het biertje waarvoor hij ook gekomen is.

We moedigen hem aan met nóg een pilsje en vragen  voorzichtig: “Wanneer?” “May be tomorrow,” weet hij niet al te zeker.

Hém vangen ze niet. Er wordt vanavond dus niet gewerkt,

zoveel is zeker.                                                                                                                                   

Grote bedrijvigheid. Uitgaanstenue uit de kast, een vlekje weggepoetst, schoenen schoongeveegd, corrigerende blikken in spiegels.

Het schip stroomt leeg, op de enkele pechvogel na, die ‘de wacht heeft’. De avond valt en de bemanning van de ‘Breda’ maakt 

kennis met Puerto de España. Of  andersom. Het is donker…

 

...De volgende morgen om 7 uur is het ‘pak ‘m beet geblazen.’ Gewapend met een talley-boekje, stompje potlood en veertien dagen

wilde verhalen over taferelen in laadruimen spoed ik me naar luik II en wacht als een Cerberus de komst van de bootwerkers af.

De jongens laten vandaag maar ’n uur op zich wachten, alvorens zij zich als een zwerm sprinkhanen over het schip verspreiden.

Wie deze beeldspraak niet begrijpt, behoeft slechts te vergeten de deur van zijn hut op slot te doen.

Hij zal er in de avond hooguit kooi en wasbak terugvinden.

Reeds wil één der bootwerkers naar beneden klimmen, maar ik vang hem onder aan de verticale ladder beneden in het onderruim op.

Dan zwaaien andere zwarte en bruine benen over het luikhoofd heen en daalt een zooitje ongeregeld de ladder af.

Beneden trekt men kledingstukken uit en andere weer aan. Men improviseert kapstokken en valt daarna met een zucht van

vermoeidheid op een partij kunstmest neer. Een afleidingsmanoeuvre? Wat ik verwacht heb, gebeurt niet: men gaat niét op rooftocht uit,

men doet helemaal niets. Ook komt niemand zich voorstellen. Ik word ongeduldig. Dit kost mijn maatschappij handenvol geld,

en wat betreft vraag 16 van het intrigerende, eens in de drie maanden onder stafofficieren circulerende formulier, getiteld

‘Conduitestaat van vierde stuurman M.P.P.M. van Meerwijk,’ vermeldend: “Is deze persoon intelligent en heeft hij lust in het talleyen?”,

voor mijzelf had ik deze vragen al beantwoord met respectievelijk “buitengewoon” en “wordt door vóórgaande antwoord uitgesloten.”

De ploegbaas van ‘gisteren’ komt onverwachts te hulp. Boven het ruim steekt hij een tirade naar de manschappen beneden af, die mij,

ondanks het feit dat ik zijn verbale hoogstandjes maar gedeeltelijk kan volgen, doet blozen.

Er komt zowaar beweging in de schone slapers: een strop wordt uitgelegd, vijftien zakken kunstmest erop en strop dicht.

Intens vermoeide blikken  naar  de  strakblauwe  hemel waar geen 

 

                                                         

loshaak te bespeuren valt en dan weer terug naar dromenland. Er verstrijkt een kwartier.

Dan staat een van de bootwerkers op, de jongste, zo te zien, om alvast een nieuwe strop uit te leggen.

Als door adders gebeten rijzen zijn collega’s op, een stortvloed van gebaren, klanken, zwaaiende armen, juweeltjes van mimiek,

dreigementen over en weer. Men springt overeind om het ‘argument’ binnen haptische afstand van elkaar nog extra kracht bij te zetten.

De uitslover in kwestie is vergeten. Die staat een beetje schaapachtig te lachen, niet echt op zijn gemak.

En dan even plotseling, na de vertwijfelde uitroep, “Take it easy, man!”, weer stilte en rust.          

Met open mond heb ik staan kijken en genieten. De woorden galmen nog na door het ruim.

Wat een ‘savoir-vivre’, hoe briljant deze levensinstelling, hoe treffend eenvoudig. Doelloos zwaai ik met mijn talley-boekje,

als sta ik te dirigeren. Niet beseffend dat deze zwarte broeders ieder voor zich solist zijn.

Verbazingwekkend hoeveel ervaring ik zo’n eerste uur in het ruim opdoe. Als er tenslotte toch een hijs naar boven gaat,

staat de zon al drie uur z’n best te doen de stalen werkplek in een hel te veranderen.

Voeg daarbij de wolken stof uit de kapotte zakken, de zoute, weeïge geur, aanschouw de glimmende, zwetende, zwoegende,

vloekende, zwarte duiveltjes en je ervaart wat eens Dante misschien met zijn ‘Hel’

voor ogen had.                                                                                                                

Van twee tot vier uur ’s middags bereikt de langzaam-aan-actie-voor-hogere-lonen-en-betere-arbeidsvoorwaarden zijn

eufemistisch hoogtepunt: gemiddeld twee hijsen per uur. Hetgeen op een totaal van 3000 zakken, om van de rest maar te zwijgen,

een gevoel van frustratie nauwelijks kan bedwingen. Om half vijf  vangt men weer aan met toilet maken en een kwartier later ligt

de Breda verlaten na te blakeren in de nog gloeiend hete namiddagzon.

Doodop ben ik. Had ik verwacht het hoofd te moeten bieden aan een stelletje beroeps dieven, aards plunderaars en messentrekkende

vandalen, in werkelijkheid heb ik moeten vechten tegen slaperige aanstekelijkheid, indolent nietsdoen en subliem lijntrekken.

“Heb ik acht uur in het ruim doorgebracht om van 1 tot 300 te tellen?” De gedachte vrolijkt niet op.

“Morgen is weer een dag,” gaat het door me heen, en dus:  “Toch een goede Leerling, deze vierde Stuurman!”

Er kan nog net een glimlach vanaf.

 

Aan de havermout en het eitje naar keuze bij het ontbijt de volgende morgen is te merken dat het zondag is.

Een half uur later begroet ik de bootwerkers als oude bekenden. Ze groeten terug, beleefd en één en al lach, noemen me

Chief Officer en ook wel Captain. Dat láátste maakt argwanend en met Argusogen volg ik hun bewegingen.

Behalve het uit en aankleedritueel is dat vandaag wel héél weinig. Op de schuchtere vraag of de langzaam-aan-actie al beëindigd

is wordt bevestigend geantwoord. Aanstalten om te gaan werken worden niet gemaakt. En desgevraagd waarom dan niet,

kijken ze me aan of ze het in Port of Spain horen donderen. “Weet je dan niet dat het vandaag zondag is?”

Ik moet bekennen dat ik dat  al vergeten ben.

In de middag krijg ik de jongste bootwerker aan de praat. Na hem eerst beleefd aangehoord te hebben over zijn familie,

vrouw en kinderen, iets waarover hij uitvoerig en met die mate aan details uitwijdt dat ik spijt krijg zoiets te hebben durven vragen,

schakelt hij over naar de ‘echte’ problemen van deze wereld, armoede en politiek, kolonialisme en kapitalisme, links en rechts.

Zijn heldere standpunten op elk gebied steeds afsluitend met een vierletterwoord dat vagelijk lijkt op het Engelse woord voor ‘mist,’

maar dan met een ‘k’ uitgesproken. Volgens goed lokaal gebruik, ongetwijfeld. Kortom, een ingewikkelde omschrijving

waar ‘beating around the bush’ toe leiden kan, als je schuttingtaal wilt vermijden.

Via de levensmiddelenprijzen, die hij opvoert, denk ik, om eventuele strooptochten door het ruim te vergoelijken, leggen we bezoeken

af bij Queen Juliana van Nederland, president De Gaule van Frankrijk en zijn ambtgenoot Eisenhower uit de

Verenigde Staten van Amerika , om vervolgens nog snel even over te lopen naar de communistische alliantie  tussen een

Cubaanse Fidel Castro en Meneer Chroesjtsjov uit de Unie van Socialistische Sovjet Republieken. Maar het verband tussen de

twee heren is hem niet echt duidelijk en na een laatste  vier letter ‘mist’ krachtterm klapt hij dicht en maakt hij het zich gemakkelijk

op een partij Heineken bier in kartonnen dozen. Extra waakzaamheid, dus!

De wal zijn we niet meer op geweest in de Poort van Spanje. Werken tot elf uur in de late avond, gauw douchen en meteen de kooi in.

Elke morgen komen de jongens weer terug, telkens trouw te laat. De 3000 zakken kunstmest worden allemaal gelost en ook de vele kisten,

kratten, kartons met dure levensmiddelen en wat niet al! Ze hebben me niet kunnen vermurwen met zelfs maar één gratis flesje lauw bier

uit de lading: géén ‘progressief winkelen’ voor de jongens, dus.

 

Op de platvoet van 24 januari 1961 varen we uit. Na zeven lange dagen. Iedereen is opgelucht.

Op mijn ronde na de wacht schiet poetser ‘Ome Kees’ me aan:

“Wanneer komen we aan, stuurman?”                                                                              

Ben ik aanvankelijk van plan eens flink uit te halen en een monoloog

te beginnen  met argumenten als “wij Eenzame Zwervers over Gods Wijde Wateren, symbolische ‘Ships-that-pass-in-the-Night’,

op doorreis naar de Eeuwigheid en ons Pensioen” (niet noodzakelijkerwijs in die volgorde, mag ik hopen), en het antwoord

“Nooit!”me wel toepasselijk lijkt, wat onze poetser registreert

moet zoiets als “Mañana  geklonken hebben.                                                                                                      

Want met een tevreden glimlach op zijn gezicht zie ik hem, blijmoedig in zichzelf mompelend, de dienstgang naar achteren uitsloffen.                                                   

M. van Meerwijk                                                            

 

                                                                      ----------