“W h a t   i s   y o u r   H e a d i n g  … ?”  

 

Het is nu alweer lang geleden dat, na een uitvoerige kennismaking in het vorige verhaal ‘What ship …?’, de ‘Agamemnon

van de KNSM uit Europa vertrok met bestemming West Indië. Dat was op 23 september 1961. Aan de Scheldekade van

de bruisende havenstad Antwerpen kreeg ze 2200 ton ijzerwaren aan boord. Twaalf meter lang betonijzer in grote bundels,

rollen pinnekesdraad, staalplaten, bundels lood, kartonnen met spijkers, vaten met schroeven en moeren, buizen en machines.

Log is ze de Schelde afgezakt, in dik van mist. Buitengaats bleek dat dik van mist nóg dikker kon zijn.

Op de tast langs de vele zandbanken voor de Belgische kust hebben we het lichtschip ‘West Hinder’ opgezocht en het

moede anker laten vallen midden tussen een cluster van andere schepen, allemaal in afwachting van het optrekken van de witte brei.

De volgende ochtend, een zondag volgens de kalender in de kaartenkamer, één stralende herfstzon, onschuldig in het strakke blauw.

Tot en met Ouessant vermeldt het scheepsjournaal verder ‘niets bijzonders’. Het streven dit ‘niets bijzonders’ te continueren is aan

boord van een schip in de Westelijke toegang van het Engelse Kanaal een rechtstreekse uitdaging aan Vrouwe Fortuna.

Wij lezen dan ook al gauw in de kolom ‘bijzonderheden’: zwaar stampend, zeer zwaar slingerend en overhalend schip.

Stortzeeën over dek, deklading en luiken. Zes keer per etmaal voor de zes verschillende wachten ingevuld. En dit vier dagen lang.

 

Laten wij eens een kijkje nemen bij de drie takken van dienst. Weet echter dat dit verslag noodgedwongen onderhevig moet

zijn aan een lichte kuising.

Op de brug heerst rust. We vinden er de stuurman van de wacht en een roerganger.

Want de automatische stuurinrichting op het magnetische kompas kan het allang niet meer bijsloffen.

Laat u zich door deze rust vooral niet bedriegen. Alles dat tegen de vlakte kón, heeft dit reeds gedaan.

Het wachten is alleen nog op stuurman en roerganger. De laatste heeft het roer ‘stevig’ in handen’.

Overdrachtelijk schemert hier de romantiek van de zee doorheen, in werkelijkheid is het alleen maar verstandig.

De stuurman staat voor de draairuit, het regent, de voeten stevig op dek geplant, de handen aan de railing.

De zeeën komen van stuurboord in, ziet hij, voelt hij, weet hij.  Vol ontzag voor de  massieve deining die van ‘dubbele ooghoogte’

komt aanstormen als het schip in een golfdal net eventjes ‘horizontaal’ ligt! 

Weerberichten, voor de Noord-Atlantische Oceaan veelvuldig somber in dit jaargetijde, zeggen dat ze helemaal van IJsland komen,

alwaar zich een depressie bevindt die zich snel  uitdiept, in hevigheid toeneemt en in Oostelijke richting beweegt.

Het omgekeerde is zelden van toepassing als jij de Plas over moet.

Het spreekt dat de boodschapper van het bericht, de marconist, de schuld krijgt.

In de machinekamer is het verre van rustig. Is hier onder normale omstandigheden altijd al een-huis-vol-leven,

waarin waarschijnlijk de verklaring gezocht moet worden voor het feit dat machinisten in een gesprek vaak de boventoon voeren,

al was het alleen maar wat volume betreft, hetgeen ook het geval is, tijdens slecht weer heerst daar beneden absolute kakofonie.

Wist u dat een zuiger in een cilinder, behalve op en neer gaan, ook nog kan rammelen? Dat krukassen en zuigerstangen als

dronken vandalen de omgeving onveilig kunnen maken? Wilt u een ‘Hel op Aarde’ beleven?

Daal dan af in de machinekamer van een klein schip tijdens stormweer op volle zee.

Dan ondergaat u de letterlijke sensatie van het ‘in de olie zijn’ als de olie-dag-tank in de machinekamerkap zijn inhoud

rechtstreeks naar beneden laat regenen, dan ervaart u een saunabad in optima forma als het peilglas van de ketel barst en de dikke,

vette stoom u alle zicht en adem beneemt. Als tot overmaat van ramp de ‘veiligheidsklep’ van een cilinder nog zwarte/grijze/witte

(roet)wolken vrijgeeft, u kiest maar, is de lol er wel af.

Het ergste is de civiele dienst er aan toe. Is serviesgoed in B-films al een dankbaar medium tot verhoging van de hilariteit,

aan boord van een schip op de Noord-Atlantische Oceaan tijdens slecht weer ligt de lolligheid er ál te dik bovenop.

Hier is een pluim aan het adres van de kok zeker op zijn plaats. Met een pollepel in de ene hand in zijn eigen Noord-Atlanticje

van de soeppot roerend, met de vrije hand vertwijfeld naar houvast zoekend, dat bijna altijd bijzonder heet is,

speelt hij het elke keer weer klaar iets warms te bereiden.

Wordt in de kombuis iets groots verricht, het betreden van de messroom vereist de nodige bedachtzaamheid.

Zeker, de stormlatten rond de tafels zijn ‘ingeschoren’, het tafelkleed is vochtig gemaakt, de stoelen aan dek vastgeschroefd,

maar het simpele gaan zitten zonder gehoor te geven aan de neiging eerst dwars over tafel heen te zeilen, onder het

slaken van de nodige krachttermen, is dan al een heksentoer. En dan heb je nog van die mensen die geen één maaltijd hun

bordje soep kunnen missen. En dat, terwijl ze hun soep tóch voortijdig kwijtraken, waarschijnlijk over het pas gestoomde

uniform van een disgenoot.

Wat de marconist tijdens stormweer doet, weet ook niemand. Zie elders in dit verslag én in het vorige.

Sommigen zeggen dat hij dan in zijn kooi ligt. Maar dat is overdreven. Ik heb hem zelf over een verschansing zien hangen.

Wéér zo’n grote roller, wéér zo’n haal. Wat zou de hutbediende nu denken? Hoe reageert olieman Gerrit met zijn pijnlijk verbrande hand?

En de matroos die zo juist van wacht ín of reeds náást zijn kooi ligt? De timmerman, de nog slaperige stuurman van de nieuwe wacht

in het donker van de brug?

“Komt hier nu nooit een eind aan?”

Merkwaardig, maar dat gebeurt inderdaad! Bezuiden het eiland São Miguel (Azoren). Plotseling en onverklaarbaar.

Het hele schip herademt, de zon wordt binnengehaald, haar warmte opgezogen in onze zout doordrenkte huid,

het zilt uit de ogen gewreven. Aan orkaan ‘Frances’ wordt niet gedacht. Het is goed zo, op zee.

Frances’ is gelukkig zo goed voor ons uit de weg te gaan, wanneer we San Juan de Puerto Rico bereiken.

San Juan is een aardig stadje. Verwend door het Amerikaanse leger, de toerist en de import-wagens-met-chroom-en-staartvinnen

en de openbare televisieschermen op straat. Tóch gemoedelijk. De pleintjes onder de groene bomen, de verkoelende zeewind door de smalle,

steile straten, de jeugdige schoenpoetsers. Géén betere plaats om tot rust te komen dan de bank op het plein.

De hele wereld trekt aan je voorbij, als schimmen uit de Hades in het late daglicht. Groepjes mannen, stoeiende kinderen,

een klein meisje op het stenen muurtje tegenover, stil voor zich uitstarend in haar prille, jonge wereld.

De slapende bedelaar in het portiek van dat leegstaande huis, door niemand opgemerkt behalve die nieuwsgierige straathond.

Flarden Calypso’s.

Bootwerker Pablo loopt voorbij, begint een praatje en is zo heel blij  als je hem herkent uit het tussendek van ruim IV.

“Of ik San Juan prettig vind?” Dat vind ik. “En de mensen?” Ook prettig. Pablo weer af, één en al lach, om verslag uit te brengen

aan zijn makkers op de hoek. Wat een volk. Zorgeloos ondanks de armoede, vrolijk en levenslustig.

 

We hebben de 2200 ton ijzer eruit gekregen. Hóe is niet meer na te gaan. Is twee-dingen-te-gelijk-doen voor een Noorderling al lastig,

voor een Zuiderling, die armen en benen nodig heeft om zijn collega uit te leggen hoe verschrikkelijk dom het is dat kartonnetje

zó op de pallet te zetten, hetgeen onvermijdelijk reacties uitlokt van eenieder op gehoorsafstand, is dit schier onmogelijk.

Als u daarbij bedenkt dat er, behalve dat éne kartonnetje, nog een slordige 2.499 andere te lossen zijn, om maar te zwijgen van de rest,

en als u daarbij ook niet vergeet dat die domme collega de ander, zo mogelijk, nóg dommer vindt, iets dat hij absoluut niet verzuimen

zal te zeggen, dan begrijpt u hoe wij telkens weer verbaasd staan dat het schip plotseling leeg is.

Helemaal leeg. Wantrouwig als we zijn, dwalen wij nogmaals door alle ruimen op zoek naar verloren schapen.

Dwalen door een ruim als een schip net gelost is, is als dwalen over een slagveld waar zojuist verschrikkelijk is gevochten.

Wij ondergaan wat ééns Napoleon onderging toen hij voor de laatste maal een verwoest Moskou aanschouwde.

Ook wij vinden dat er niets meer te halen valt en melden dit de eerste stuurman.

In het holst van de nacht gauw nog even wat olie bunkeren aan een afgelegen steiger aan de overkant van de baai.

Het zeemansleven kan terecht duister genoemd worden. Om de een of andere reden speelt zich veel ’s nachts af.

De uitzondering die ook hier de regel gaat bevestigen is etenstijd overdag. Tussen deze momenten wordt gewoonlijk ‘stand-by’ gehouden.

Men ligt dan op ‘stootgarens’, zoals dat heet, maar liggen is er niet bij.

 

Op weg naar Haïti, niet te verwarren met Tahiti, vraagt het Amerikaanse meteorologische bureau weerrapporten, om de drie uur.

De Caribbean is weer eens in blijde verwachting van een dochter, die ‘Gerdy’ genoemd zal worden. Gerdy is al bij voorbaat gedoemd

een moeilijk kind te worden. Wat het weerbureau weten wil is wáár de blijde gebeurtenis zal plaats vinden.

Niet voor een bloemetje maar voor een waarschuwing de nodige discretie in acht te nemen. Gerdy is nu nog een tropische storing,

een warmbloedige ‘verwarringkje,’ zal in haar bakvisjaren snel uitgroeien tot een tropische storm en op huwbare leeftijd orkaan worden.

Huwelijkskandidaten zijn echter schaars, Xantippe ligt nog vers in het geheugen.

Wij zijn discreet, zo zijn wij, en bereiken Fort Liberté op een stralende morgen. We kruipen wat door de modder van de ondiepe toegang

tot de baai en laten zomaar ergens het anker vallen. Waarschijnlijk omdat de loods zich plotseling herinnert dat het borreltijd is en wel

heel erg heet buiten. Intussen staan wij als derde navigatie officier allang beneden in het ruim toezicht te houden op het laden van

balen sisal en te tellen hoeveel dat er wel zijn: hoe gek heeft  maatschappij discipline ons wel niet gekregen!

Hijsen van acht balen, ook wel van zes, vier, drie of twee. Erg verwarrend allemaal, extreem heet en stoffig.

Je zou zweren dat je azijn laadt, zo zuur ruiken de balen hennep. Voeg daarbij de sterke geur die de drijfnat bezwete bootwerkers

uitwasemen, de zwermen vliegen en de wereld tolt om je heen.

Onze eerst volgende haven is Puerto Plata in de Dominicaanse Republiek. Iedereen is opgewonden. Waarom? Ieder heeft haast, ineens.

Waarom? Er wordt zingend voor en achter gemaakt. De laadbomen gaan nog sneller omhoog, de luiken barsten haast open.

’s Avonds is het schip verlaten, op een enkele pechvogel na, en verspreidt een ‘uitbundige’ ‘Agamemnon’ zich over het gastvrije stadje,

dat  het schip op even warmhartige wijze absorbeert. De euforie bezegelt deze kennismaking in goede harmonie.

 

New York, vijf dagen na de tropische nacht tevoren…, toegegeven dat de eerste aanblik van al die wolkenkrabbers op een

kluitje imposant en overdonderend is, reeds de tweede keer sticht zekere verwarring.

Overdag druk en onpersoonlijk, vol leven en toch onwezenlijk. Lawaaiig en grauw, zonder charme, kleurloos.

’s Nachts één en al kleur, een hel van kleuren, een zee van licht, rusteloos, schreeuwend hard.

De straten draaien, tollen, wentelen, deinen tot je er dronken van wordt, verdoofd. Je beweegt als een slaapwandelaar,

tastend en zoekend naar rustpunten. Maar elk houvast verdwijnt als je er bent en is weer terug als je omkijkt.

We hebben niet meer omgekeken toen we wegvoeren.

Van New York tot Montreal is ruim vier dagen varen. Dat wij er zeven dagen over doen is te danken aan het weer dat wijlen

Sir Frances Beaufort niet voor mogelijk heeft gehouden. Dat wij er toch gekomen zijn mag een wonder heten.

Daar zijn wij het allen over eens en dat mag aan boord ook een wonder genoemd worden.

We hebben de log vanaf de railing op het achterschip uitgevierd, niet echt gebruikelijk zo vlak onder de kust. Jawel.

Wanneer die, in plaats van naar achteren uit te scheren ter hoogte van de brug midscheeps boven water komt,

voelen we dat het de verkeerde kant uit gaat. Voor het bepalen van de waterdiepte met het echolood moet de machine gestopt worden.

De radar reikt niet verder dan vijf mijl, om niet erg duidelijke redenen! Eén lichtpuntje is er toch nog wel: de radiorichtingzoeker.

Faalt die weliswaar ons iets wijzer te maken omtrent onze positie, het wordt wél duidelijk dat sommige stuurlieden over een

opmerkelijke fantasie beschikken. Wind tegen, stroom tegen, de zeegoden tegen. Is het een wonder dat ook de motor tegen ons partij trekt?

De koninklijke stad ‘Mount Royal  is ontstellend groot. Van Oost naar West vijftig kilometer, haaks op de rivier wel twintig!

Alle andere kwalificaties van deze reusachtige metropolis vallen daarbij in het niet. Eén uur in een taxi die alle verkeersregels negeert,

om een stuk familie op te zoeken, stelt weinig voor. Twee uur in de bus, je moet ook nog terug, voor een andere ontmoeting,

een feestje georganiseerd door bovenvermeld familielid, dat  wel dolle pret geweest moet zijn, te oordelen naar de cryptische

dagboek aantekening: ‘drie stewardessen (!)’ is vast héél plezierig en ‘heftig’ geweest, maar laat mij 41 jaar na dato toch in het

ongewisse over de aard van de pret en de reden van het uitroepteken.

Na vijf dagen hebben we ook nog Three Rivers en Quebec aangelopen en twee dagen later Halifax. Afgeladen met appelen,

asbest (!?), uien, aardappelen, vis producten en papier zijn we weer afgezakt naar het zonnige zuiden. De overgang is groot.

Bermuda ligt maar drie dagen stomen verder. De koude, de warmte. Zwart en wit.

 

Het is ‘vandaag’ nog steeds maandag, de dertiende november 1961, de dag waarop ik me in het vorige  verslag aan het

schrijven van deze twee verhalen zette. Een maandag als zovele! De fregatvogel, die ons een tijdje begeleid heeft,

is achter de  kim verdwenen. En ook de  dolfijnen spelen niet langer meer langszij.

De ‘Agamemnon’ is intussen al weer een tijd geleden in Bridgetown op Barbados gesignaleerd en ook nog in Georgetown (Demarara).

Ze zal nu wel weer ergens op zee zijn, in de Caribbean of misschien wel de Atlantische Oceaan, op weg naar…….? 

 

         We hebben haar nog nageroepen: “Agamemnon, quo vadis…?”

         Maar ook de echo van onze roep is achter de einder verdwenen.

 

         M. van Meerwijk                                                              

 

                                                                         ----------