B o v e n   d e   R o l 

 

Om zelfs na zoveel jaren mogelijke repercussies te vermijden, speelt dit verhaal zich af op schip ‘X’, varende in charter

voor een Cyprische  rederij ‘Y’, maar nog wel in de tijd dat varen plezierig was, of althans heette te zijn.

Voorzichtigheidshalve moet het waarheidsgehalte van dit verslag op niet meer dan 60% ingeschaald worden. 

De lezer zal overigens niet alleen maar op gegist bestek mee hoeven varen, want vermeld kan worden dat het schip

zo’n 2600 ton bruto mat, dat als shelterdekker op een 1400 ton netto uitkwam. Modern was het niet bepaald,

zelfs al flink op leeftijd ten tijde van toen. Ook nog dat er een stuurautomaat op zat, gekoppeld aan een

magnetisch kompas en een bijna antieke tien centimeter radar met een schermdiameter van amper tweemaal die maat.

Het schip telde vier ruimen met houten luiken, bediend door twaalf laadbomen (SWL 3t.) aan twee gestaagde masten

en vier paalkokers, plus een zware spier van twaalf ton, volledig onttakeld en door jaren lang niet gebruik haast vergroeid met de voormast zelf.

In de machinekamer een turbine van 2650 PK met een wat moeizame staat van dienst, voortgedreven door twee

oliegestookte waterpijpketels en aan de ‘praat’ gehouden door een immer zwoegende ploeg van niet echt vrolijk machinekamer volk.

Het geheel drijvend, varend en zelfs redelijk functionerend gehouden door in totaal drie en dertig mensen

(kom daar nog eens om dezer dagen!) vanuit alle windstreken.

Van wie er zelfs één de Kweekschool voor de Zeevaart (1785-2000) aan de Prins Hendrikkade  in Amsterdam  bezocht had,

ergens in de jaren vijftig van de twintigste eeuw. “Got the picture?”

 

 Dan varen we nu uit van één van de Bovenwindse Eilanden in de Oostelijke Caribische Zee en is het half twaalf  in de vroege nacht

als we de laatste kaap ronden, de maanverlichte binnenzee in, in Westelijke richting onderweg naar een land achter de kim. 

De schrijver treedt nu aan als tweede stuurman en neemt om middernacht de wacht over van een Griekse derde stuurman.

Alles wijst erop dat het een rustig wachtje zal worden, op de automaat de volle maan achterna, een koele,

zwakke passaat in de rug, de Kaapverdische uitkijk op het schavotje, de stuurman op de stuurboord brugvleugel met een

bak koffie in de ene hand en een eerste sigaret in de andere. Tevreden met zich zelf en de wereld om hem heen dwaalt de

blik van de kim naar het voordek…

… Twee witte ogen in een donkere schaduw, omhoog reflecterend naar de brug en meteen weer wegflitsend.

“Welke ‘sailor’ moet wat nog aan toe (‘what the hell’) op dit tijdstip van de nacht nog op het voorschip?” hoor je hem denken.

“Of toch niet helemaal wakker?” Het blijft een half uur stil, het geweten is gesust.

Alleen de schaduwen van mast en laadbomen zacht wiegend over het zeildoek van ruim II, tot de tweede matroos van de wacht,

een boom van een kerel, om één uur de uitkijk komt aflossen en triomfantelijk een spartelend, donker menspersoon het stuurhuis

binnentilt met de woorden “Moet u eens kijken, stuurman, wat ik nou weer gevonden heb!”, de figuur achteloos neerploffend op dek,

die in één beweging – ik heb intussen de stuurhuisverlichting aangedaan en u merkt dat de schrijver dezes van de derde persoon in de eerste

is overgegaan – op de knieën gaat, de handen biddend voor de rollende ogen mij in rap Spaans bezweert

hem niet aan de haaien te voeren. Por favor!” Mijn antwoord in minder vlekkeloos

Spaans van het kaliber “me speak Espanjol” is, dat ik daar niet over ga, maar de kapitein, die toen, ‘none too pleased’ middels

de snerpende fluit van de spreekbuis uit de eerste slaap wakker gemaakt, op de hoogte gebracht van het nieuws dat we een

 

verstekeling aan boord hebben, “sluit hem op in de loodshut” terug blaft, waarna diepe ademhaling van een hoge alcohol

dichtheid uit de spreekbuis aangeeft dat het gezag weer onder zeil is. Of, zoals onze favoriete leraar zeevaartkunde op de

Kweekschool voor de Zeevaart in Amsterdam het plastisch uitdrukte: “Voor kaap kont ten anker.”

 De volgende ochtend, na de koffie en de eerste(?) borrel, volgt scheepsberaad   tussen een  sobere kapitein,

de hoofdwerktuigkundige en de eerste stuurman, met Pedro, 18 jaar oud, één meter vijf en zestig en van het Mediterrane type,

als u begrijpt wat ik bedoel, in de beklaagdenbank. “Geen werk waar ik vandaan kom, een oom ‘overzee’

die een baan voor me heeft, en zo doende” is zijn pleidooi. Waaraan de toevoeging dat hij ook een kappersdiploma heeft,

vergezeld van het aanbod de hele bemanning gratis te zullen knippen om zijn passagegelden terug te verdienen.

Vol trots aan het verbaasde triumviraat een kam, schaar en twee flesjes lotion van twijfelachtige herkomst tonend.

Via gecodeerde telegrammen wordt de maatschappij ingeseind en daarna gezamenlijk besloten ons op een even eenvoudige als

doeltreffende, maar hoogst ongepaste manier van Pedro te ontdoen. Niet meteen, midden op zee, maar pas na aankomst.

Dat wij als bemanningslid van lagere pikorde op de hoogte zijn van alles wat zich tijdens het beraad afspeelt,

is (natuurlijk) te danken aan de koksmaat/steward die deze morgen toevallig in de buurt van de ‘hut aan stuurboord onder de brug’

aan het werk is en bereid is de hofmeester, in ruil voor een gratis biertje, onder verder volstrekte geheimhouding deelgenoot te maken

van het laatste nieuws. Ja, u hebt het al begrepen en wij aan boord dus ook: een lopend vuurtje.

Enfin, Pedro tijdelijk ‘off the hook’, intens dankbaar, is meteen stralend aan de slag gegaan en geeft nog dezelfde dag de voltallige crew,

inclusief de poedel van de kapitein, een gratis beurt. Knipbeurt, mind you!” Waarna hij ons ‘s avonds op een luik op het achterschip

entertaint met gitaar en zang. Want, ja, hij heeft toch wel een kuub bagage bij zich. Emigreren doe je niet elke dag!

Ook de rest van zijn tijd aan boord is hij zeer actief, en zijn zonnige natuur werkt zo aanstekelijk dat een aantal matrozen verder op

halve kracht gaat werken, want Pedro doet de andere helft er ook nog wel even bij. Op slag mateloos populair, dat valt te begrijpen.

 

De poedel van de gezagvoerder, overigens, in normale doen een vrij nuffig, bij vlagen ronduit vals beest – vlak het sarvermogen

van een gefrustreerde bakzeun niet uit – nu bevrijd van zijn zwarte wintervacht, paradeert poedelnaakt, nogal hinderlijk vóór,

achter en tussen de benen van de stuurman van de wacht, in het donker van de brug. Op gezette tijden tegen hem opspringend

(u kent dat hitsige gedrag wel), of afwisselend de eigen achterpoot tegen de blinkend gepoetste telegraaf optillend, ja zelfs door

beide achterpoten heen zakkend kwalijk riekende zaken deponeert. En als je dan, per ongeluk, op zijn tenen trapt,

met een ijselijk gejank de serene rust aan flarden rijt, om met opgeheven hoofd wegbenend beklag te gaan doen bij de baas.

En dan sta je daar als gekwalificeerd nauticus, met een lullig schepje in je hand – vaste opbergplaats in de vlaggenkast

onder de letter ‘B’ (gevaarlijke lading!) en met de schriftelijke instructies uit het wachtboekje in het achterhoofd,

even in de verleiding het hondse deposito niet overboord te kieperen maar door de spreekbuis

(“Meester, kan ik wat perslucht aan dek krijgen?”) te dirigeren, richting het gezag zelf.

 

Pedro dus, we dwalen af, eindelijk aangekomen op zijn reisdoel, wordt met uitgebreide instructies opgesloten in een

geblindeerde hut op het hoofddek, grenzend aan ruim III, bloed heet. Hij moet daar de hele dag blijven, mag geen enkel geluid

maken en grote behoeftes maar ophouden. Totdat hij om vijf uur in de middag het slot van zijn deur hoort overgaan.

Waarop hij zonder een woord te wisselen met zijn bevrijder in vier stappen direct naar buiten moet gaan om zich te mengen

onder de vertrekkende bootwerkers van de twee ruimen op het achterschip, mede-huidskleur-genoten, zullen we maar zeggen,

maar wél met een afwijkend Spaans accent, zodat Pedro dringend verzocht wordt zo lang mogelijk zijn kaken op elkaa

r te houden en slechts vriendelijk te grijnzen, indien de situatie dat vereist.

De voorbereidingen gaan zelfs zó ver dat de charter bepaling om steeds scherp toezicht te houden op het voorkómen van diefstal

uit de lading (kartonnetjes bier in dit geval) voor deze keer verzacht wordt, zodat Jan-de-bootwerker met gerede kans in meer

of minder benevelde staat uit het ruim zou opduiken en Pedro mede achter deze nevels zou kunnen eclipseren.

 

Zo gezegd, zo gedaan. De voltallige bemanning staat quasi onverschillig ergens aan stuurboordzijde hevig geïnteresseerd

toe te kijken hoe ‘onze’ Pedro in de aanzwellende stroom bootwerkers zich een weg baant naar de statietrap en eenmaal

op de pier in een nog grotere stroom ‘trabajeros’ van de andere schepen richting vasteland schuifelt. Langs twee douane ambtenaren

die slaperig op houten stoelen aan het begin van de pier de lawine bepakt en gezakte huiswaarts keerders langs zich zien komen.

Voorzover het onderscheidingsvermogen nog iets voorstelt in de windstille namiddag hitte en door de vele lauw warme biertjes,

ook uit onze lading, vermoeden wij. Want het haven volkje mag in dat opzicht beslist wel sociaal voelend en uitgekookt genoemd worden.

Weten wij.

 

Pedro, onze economische vluchteling ‘avant la lettre’, hebben wij niet meer teruggezien.

 

         M. van Meerwijk

 

                                                                        ----------