G o r g e o u s   l i t t l e   B i r d s

 

Was in een vorig verslag van de op dubieuze wijze geloste verstekeling prudentie het uitgangspunt,

zodat ik toen de cruciale gegevens van scheepsnaam, rederij, bestemming en ook het jaartal vaag hield,

in het nu volgende verhaal over een variatie op Hitchcock’s film ‘The Birds’ is er misschien meer sprake van een

ontluikende vergeetachtigheid, want nu weet ik echt niet meer zeker aan boord van welk schip ik toen zat.

Het bijgehouden dagboek uit mijn zeemanstijd, pas bij het ingaan van het pensioen teruggevonden,

achteraf helaas niet groter blijkend dan mijn handpalm en dus slechts summiere informatie bevattend,

vermeldt deze episode niet. En toch staat het beeld me nog helder op het netvlies, lijken de herinneringen vers.

Met gerust geweten het waarheidsgehalte dus toch maar op 75% gesteld.

 

De feiten: zomer 1961 of 1962, derde stuurman bij de KNSM, want de 8-12 wacht.

Haven van vertrek San Juan de Puerto Rico, bestemming één van de ABC-eilanden van de Nederlandse Antillen,

of Venezuela,  want de koers was zuidelijk. Dit alles gestaafd door een orkaan waarschuwing

(de eerste, een heel vroege van het seizoen, centrum ergens Oost van Guadeloupe), én het verhaal speelt zich af in het donker,

de eerste wacht dus. Het waait vreselijk hard van achteren en er staat geen hoge deining omdat het eiland nog maar net

in het kielzog en de regen verdwenen is. 

Een goede gok uit het mini dagboek wijst in de richting van de ‘Agamemnon’, een klein schip, als één van de eerste

na de oorlog in Schotland gebouwde stoom- motorschepen. Deze gegevens heb ik gehaald uit (oud KNSM gezagvoerder)

H.J. Korver ‘Varen op de West’, een 216 pagina’s tellend boek, voor het geval dat de lezer twijfelt aan mijn inspanningen

het geheugen op te kalfateren. Bruto 2415 ton groot, of klein, zo u wilt. Kan me trouwens niet voorstelen dat u écht meer

wilt weten over dit vaartuig of over de maatschappij. Want in vergelijking met de ZIM, een van mijn latere werkgevers,

is het aan boord van een KNSM-schip soms toch echt wel behelpen. Niet de sfeer of zo, want die is meestal best

gemoedelijk: één-grote-familie-van-lotgenoten-in-het-zelfde-schuitje-varend, zullen we maar zeggen.

Nou, vooruit dan, eventjes maar wat registers opentrekken. Het ‘stresserige’ gejakker langs Venezolaans West Indische haventjes,

soms drie keer op een dag alle hens aan dek voor het ‘voor-en-achter’, om ergens aan de rand van een woestijn zes tinplaten af te leveren,

een uur verderop even een klapje achteruit voor honderd zakken kunstmest op een lichter en bij het vallen van de nacht in een derde

negorij wat kartonnetjes gecondenseerde melk voor de plaatselijke kleuterschool te lossen. “Stappen?” “Nou, nee!”

En dan het verplichte toezicht in de oven-hete ruimen door alle dekofficieren van het lagere echelon, met een talley-boekje in de ene

hand en een zuinig stompje  potlood in de andere, vodde(n)balen – de nieuwe Nederlandse spelling is mij nog duister – tellen

of andere soort verscheepte droefenis. Er wordt wat heen en weer versjouwd op onze aardbol! En al die talley-boekjes tot soms

40 pagina’s dik door ons zelf aan boord getypt met wetenswaardigheden als merk, nummer, inhoud, aantal, soort, gewicht en

uiteindelijk met een vloeistof stencilmachine afgedraaid, gebundeld en geniet tussen het ontmeren en meren door.

De accommodatie aan boord van de ‘Roggebrood’, de Spartaanse inrichting, zelfs voor die tijd. En dan de voeding: bedenkelijk natuurlijk,

dit soort klachten en vast ook goedkoop. Hoe kom je op zo’n woord in deze context?!

Al deze dingen en nog meer onderwerp van regelmatig onbehagen . Leefbaar gemaakt, ja heus, met grollen en grappen

over de datum die je aan boord aan de hand van het menu op één weekdag nauwkeurig kan bepalen.

Want wie herinnert zich niet de bruine bonen met spek op dag één van de week, met vette uien jus en kaantjes

in de Golf van Maracaïbo of vergelijkbare ‘hot spot’ op aarde?

Met een buitentemperatuur van boven de 30 graden, een binnentemperatuur van rond de 40, vochtigheid 85%,

windstil en airconditioning een vierletter schuttingwoord? Òf,  mijn hut is slechts 8 passen lang en vijf breed, een spreuk

op een Scheveningse (cel)muur in bezet Nederland in 1944 parafraserend. En hoewel die ‘zuinige’ kruideniersmentaliteit het langer

heeft uitgehouden dan het bravoure van de grotere broers in de

‘shipping-trade’, tenslotte toch ondergegaan in die mega fusie begin jaren tachtig van de twintigste eeuw, 

resulterend rond de eeuwwisseling in  P&O-Nedlloyd, één van de grotere scheepvaartmaatschappijen van de wereld!

Wel, een mens moet soms wel eens wat van zich afschrijven om het verleden te verwerken. Niet waar? Bij deze dus.

‘No hard feelings… . Sort of…’ 

We pakken de draad van het verhaal weer op en schrijven 16 juli 1961.

Twee dagen eerder om 7 uur ’s ochtends aangekomen in San Juan, rollen telefoonkabels uit Santander (Spanje)

en ‘plywood’ van Bruynzeel gelost. Om 20.00 uur lokale tijd, het begin van mijn wacht,

in de stromende regen en stormwind uitgevaren. De bij aankomst opgelopen motorschade blijkt dus reparabel geweest te zijn,

wat iets zegt over de bekwaamheid van het machinekamerpersoneel in die tijd.

Het weer wordt er om de zuid niet beter op. Het hemelwater komt bij bakken, haast horizontaal, uit de voortjagende wolken.

Luik I is niet te zien, op de radar een vette dot ‘clutter’. Het schip maakt lange, rustige halen, masten en tuigage trillen en zingen,

de lucht als een warme deken om je heengeslagen.

Welke (oud)zeevarende (m/v) voelt deze herinnering niet af en toe uit alle poriën opwellen?

De Arkas stuurautomaat kan het gieren niet meer volgen, de jonge roerganger heeft er schik in de uitbreekbewegingen

van het achterschip te anticiperen en het schip zo beheerst mogelijk met de zee te laten mee surfen.

De deining stelt in de lij van het eiland nog niet zoveel voor, de wind des te meer want bij de enkele uitbraakpogingen

naar de brugvleugel waai je als mens zo wat ‘uit de lijken’ en wordt de lucht je uit de longen gezogen.

Gauw dus maar weer de schuifdeur dicht. Uitkijk voor de draairuit aan bakboord, met zicht op luik II, roerganger aan het wiel,

bezweet nu, stuurman aan de radar. Kapitein Noordveld een dek lager, ongetwijfeld oude kaarten en 

zeilaanwijzingen van de Hondurese westkust bestuderend, of zo iets. Omdat hij later op deze reis

een 7-daagse ‘oploding’  van Amapala en omstreken zal uitvoeren.

Voor welk doel de motor reddingboot gebruikt zal worden, uitgerust met een elektrisch, op accu werkend echolood

en een nieuw gekalibreerd magnetisch kompas, gedeeltelijk overkapt door de timmerman om de moderne cartograaf

tegen de zon en de uitdroging te beschermen. Het doel is om te bepalen of schepen met 18 voet diepgang de San Lorenzo rivier

op kunnen varen tot de haven van diezelfde naam. …Ja, die gezagvoerder dus, die nu in Honduras met zijn naam verbonden

aan een kaap in de buurt (‘Punta Noordveld’) vereeuwigd is.

 

Terug naar het verhaal. Net als in Hitchcock’s film begint het om elf uur in de avond.

Dáár verandert een abnormale speling van de natuur en het weer de zachtmoedige (zang)vogels als merels, lijsters, roodborstjes

en mezen (blue tits), in een later stadium de eksters, kraaien, roeken en meeuwen en tenslotte ganzen, zwanen en arenden in

pure kamikaze piloten, geflipt en volledig door het lint huis en haard aanvallend, zich te pletter stortend op daken,

tegen ruiten, er dwars doorheen brekend. En ook duikend op mensen die onbeschermd buiten zich niet kunnen verweren

tegen het geweld van zoveel snavels, fladderende vleugels, kilo’s opgekropte razernij en haat als levende projectielen de eindaanval

op het tirannieke mensdom inzetten.

Zo ook hier, in de Caribische Zee, zo lijkt het. Eerst enkele doffe ploffen tegen de loefdeur van het stuurhuis.

Het geluid van natte sneeuwballen, nog van een beschaafd kaliber, zoals wij ’s winters wel eens ervaren als de lieve jeugd

onze auto bij het passeren van een school in pauzetijd onthaalt op een regen van kletsnatte projectielen.

Daarna een staccato van deze geluiden tegen masten, zwiepend tuigage. Flitsende donkere voorwerpen horizontaal voor de ruiten

langs tegen het dek en de luiken.

… En staat kapitein Noordveld naast me. “Ga eerst maar eens aan lijzijde op de brugvleugel kijken, stuurman.

” Macaber, de houten vlonders liggen bezaaid met doorweekte, ‘gorgeous little birds’ van een uitbundige kleurenpracht,

maar ook platgedrukt hangend en fladderend aan allerlei bruguitsteeksels, tussen reddingboei en

‘Holmes’ licht, tussen fluithandel en windkering. Na ontsteking van een schijnwerper ook op voor en achterschip een tapijt

van zielige hoopjes vogellijven temidden van een banket van aan boord gewaaide vliegende vissen.

De eerstgenoemde regelrecht uit de bomen van de dichte bossen op Puerto Rico gesleurd en kansloos voort gezwiept,

half fladderend of anderszins uitgeput neergeploft, in zee natuurlijk, de meeste, maar ook aan boord van onze ark.

Heel erg dood, lijken ze. Maar nu ook tegen mij aandreunend, allesbehalve dood, voelt het.

Tegen de regenkleding, de nek, het gezicht met harde, vlijmscherpe snaveltjes… .

In de gauwigheid een gekleurd vogeltje dat nog levenstekens vertoont uit de goot gevist en indachtig het filmscenario

naar binnen gevlucht en die vormeloze exponent van de nieuwe vijand zo lang op de vlaggenkast binnen bij zinnen

en/of op adem laten komen.

Na de wacht het vogeltje meegenomen naar de hut. Het leeft nog, denk ik.

Of is dat alleen maar ‘wishful thinking’ van mijn kant en strategie achter die zwarte kraaloogjes? Nee, dus, blijkt ’s ochtends.

Ik leg het heel dood tussen de andere uitgestreden lotgenoten aan dek en sta een tijdje toe te kijken hoe de harde wind de

veren van al die hoopjes ellende oplicht en een wuivend veld van alle kleuren van de regenboog aan dek tovert.

Daarna zie ik toe hoe de bootsman met het voltallige korps matrozen en extra hulpploegen het schip met krachtige

waterstralen schoon spuiten. Tot grote opwinding van de Caribische meeuw die in zwermen boven en naast het schip

heen en weer flitsend zich in duikvluchten naar beneden stortend te goed doen aan…, voor de zekerheid toch maar

van achter een patrijspoort verder kijkend…, hun gevederde en geschubde soortgenoten.

 

Het verhaal is nog niet uit, heeft zo gezegd een staart. Want de arend in de film is nog niet opgetreden om met tomeloze

energie en enorme snavel de laatste resten humane weerstand aan flarden te rijten. En dus verschijnt die alsnog, vier dagen later,

op het toneel als apocalyptische apotheose van het eerste bedrijf bij Puerto Rico. Na Willemstad,  waar  we  alleen  olie  bunkeren 

en  een  tubetje  tandpasta  in  het zeemanshuis op zichtafstand van de kade aanschaffen.

Toch echt één uur gepassagierd! Daarna op weg naar Cristobal, des avonds om negen uur,

een Tropische Ontlading van Bliksem, Donder en Hoosbuien, praktisch Windstil, die zonder oponthoud tot zeven uur de volgende

ochtend aanhoudt. ‘Group Flashes’ van een uitzonderlijke intensiteit door het ganse zwerk, niks ‘Occulting.’

De lucht, de waterdamp, het schip, de zee, de mens bezwangerend met elektriciteit als van het soort dat in lang vervlogen

tijden als katalysator de oersoep tot leven geflitst heeft.

Om half elf ’s avonds gaat het licht aan, de masten beginnen als TL buizen te gloeien, een geelgroene, vette glans,

lekkend langs stengen, stagen en want, breder wordend golvend om spier, laadbomen en luchtkokers.

Elmsvuur, natuurlijk, maar de haren rijzen te bergen, staan recht omhoog op hoofd van gezagvoerder, stuurman en twee uitkijken.

“Real punk, man.” Allen met zonnebril op en plukken medicinale watten uit de oren stekend, in het holst van de helverlichte nacht.

“Very cool, too!”

En op de steng van de voormast, met de rug in de vaarrichting, zit daar plotseling een enorme visarend, bewegingloos,

wit van kleur, ons met grote glazen ogen te fixeren, te loeren, zijn kans afwachtend? Rationeel gezien natuurlijk de kluts kwijt,

gedesoriënteerd, drijfnat. Allemaal mooi en wel, maar in de film is dat ook maar het voorspel geweest.

We staan weliswaar binnen achter gepantserd glas, maar toch…

Een boeiend schouwspel, primitieve angst en ontzag oproepend, opwindend en zinderend van leven.

Maar ook schele hoofdpijn na afloop van de wacht, te kooi.

 

De vlammende Engel op de voorsteng, de zee arend dus, heeft daar nog uren gezeten.

De hele hondenwacht door en is pas om vijf uur ’s ochtends na het inslaan van de bliksem als het ware in rook opgegaan.

Zo rapporteren tweede en eerste stuurman na afloop.

Om acht uur in de morgen is de storm voorbij, de zee grijs, windstil. De wolken hier en daar met een zilver randje.

Het einde der tijden nog even uitgesteld, dus. Gelukkig!

 

         M. van Meerwijk                                                          

 

                                                       ----------