H o o r n e n   v a n   O v e r v l o e d 

 

Het vertrek moet een uur worden uitgesteld want op het laatste ogenblik komt nog een zeilend

Nijl-vaartuig langszij met driehonderd zakken koehoorns. Oude, volgens de lading papieren, met een ‘clean bill of health.’

(Bloed)verse, naar eigen waarneming. Via Hamburg en de Elbe bestemd voor een farmaceutisch bedrijf in Hongarije. Of daaromtrent.

 

Misschien ook door het late uur zullen maar weinigen onder ons er stil bij hebben gestaan dat met elke van de vijftien

hijsen van twintig zakken even zovele ‘Trojaanse paarden in statu nascendi’ mee aan boord komen en naast een partij

voddenbalen in het tussendek van ruim I gestuwd worden. Iedereen, na een vermoeiend avondje stappen

(Museum van ‘Oude Kunsten’), een lange dag lossen en laden en dertig uur verblijf in het stoffig hete, lawaaierige Alexandrië

al weer verlangend naar de koele stilte buitengaats.

Het verhaal speelt zich af aan boord van de ‘Mentor’ van de KNSM (juni 1960), een open shelterdekker van 2100 x 1100 ton,

met 2000 paarden van een ander ras dan het  Trojaanse in de machinekamer, gezamenlijk goed voor 12 knopen en daarnaast

nog ruimte voor evenveel  passagiers, 34 bemanningsleden, een mini radar en een stuurautomaat van reeds antiquarische waarde.

De eerste tekenen van naderend onheil dienen zich al de volgende dag aan, om halféén  ‘s middags.

Plaats: de officieren salon bij het voorgerecht. Een flinke schelp met wat kleine, roze garnaaltjes van onduidelijke herkomst,

zwemmend  in een zalm kleurig sausje en bijna aan het oog onttrokken door blaadjes sla. Aan boord gekomen in Egypte?

Watertanden, dus! Zei ik “zwemmend?” Waarachtig. Er zit inderdaad enige beweging in de eerste hap, want met afgrijzen

en ontluikende algehele opwinding rondom peuter ik op het laatste ogenblik een kronkelend beestje tussen de

haag mijner tanden vandaan, leg het plechtig op een dessertlepel en vraag de inmiddels hevig geïnteresseerde collega’s om commentaar.

Een rupsje, dus. Klein en met nog wel een spoor van leven (want wie eenmaal door de knuisten van de kok gegaan is,

mag  grosso modo’ eigenlijk  alle hoop hebben laten varen), met van die witte

Michelin-Man’ type ringetjes en, aan vóór en achterkant, zwarte puntjes, uit één waarvan een sliertje slijm.

De schelpen van de disgenoten worden nu ook aan een minutieus onderzoek onderworpen, maar niets te zien.

Had ik nog even gehoopt en gevraagd of de salon oudste, onze tweede werktuigkundige, namens mij wel verhaal zal halen,

grootmoedig delegeert deze bleke figuur het slachtoffer, mij dus, zélf de kok met dit affront te confronteren.

Met iets van leedvermaak in zijn fletse ogen, bespeur ik.Medeleven bij de anderen rondom:

hoe zal de leerling stuurman dit akkefietje zelf opknappen? Want de reputatie van de kok kan met recht solide genoemd worden.

De man weegt over de honderd en twintig kilo, heeft knuisten als kolenscheppen, is van het type wiens nek zonder

waarschuwing in de schouders overgaat en heeft bovendien een licht ontvlambare natuur.

Erger nog, ik had de man in opdracht van de eerste stuurman een injectie moeten geven

“want je moet tenslotte nog heel veel leren, leerling!” U raadt het al: ik heb daarmee geen schoonheidsprijs verdiend.

En op het moment dat ik met licht knikkende knieën opsta beleef ik ‘dat dubieuze medisch handelen’

weer in full colour… Plaats: de ziekenboeg annex apotheek, eerste stuurman Heyen, ik en de kok met nauwelijks

enig vrijboord in het snikhete vertrek. Ik elk commando in een waas opvolgend: spuit en naald elektrisch koken, ampul omkeren,

leegzuigen, lucht eruit, watje, alcohol in trillend zwetende vingers, maar wél zelf de order gevend: “Laat maar zakken, chef!”

De aanvankelijk geamuseerde glimlach op ’s mans vette gelaat komt nu  langzaam aan wat geforceerd over.

Zelf op de linker knie gezakt met de ogen ter hoogte van een immense vleesmassa (niet te filmen!),

de twee gigantische halve bollen door ongehinderde zwaartekracht nog extra uitgezakt. “Welke helft?”, flitst het door me heen.

“De rechter dan maar, Brigit Bardot sector” (Buitenste Bovenste helft). En resoluut druk ik de naald tegen het lillende vlees.

Er gebeurt niets. Ik druk harder. Wél een mooi kuiltje, maar penetratie, ho maar! De kok staat wat ongemakkelijk over zijn

schouder te lachen, een boer met kiespijn.“Nooit gedart, leerling?”, vraagt de eerste stuurman. “Ja wel…!?”, opkijkend en de

film zweet uit de ogen wissend. “Wel, zo moet het dus.”De opdracht is duidelijk, dus zwaai ik de deur naar de gang open om

wat ruimte te scheppen om met de rechterhand en spuit een zwaaibeweging te kunnen maken.

De kok zweet als een otter… en de leerling brengt het darten voor het eerst medicinaal in praktijk.

De naald rakelings tussen zijn platte hand met weggestrekte duim op de bil gedrukt, tot aan de plunjer in het spek gegooid

en de vloeistof te bestemder plaats afgeleverd. Drie zuchten van opluchting en één gemene blik in de ogen van het slachtoffer.

 “Zal ik zélf nu met dat pietluttige kronkelende probleempje slachtoffer worden?”

Enfin, ik leef nog. Very much alive and kicking, thank God.

De maaltijd wordt door alle disgenoten voorzichtig op halve kracht roerend  in de

voortreffelijke nasi goreng met spiegelei voortgezet. En weggespoeld met grote hoeveelheden bier, ter neutralisering

van exemplaren die mogelijk aan de aandacht ontsnapt zijn. Voor alle zekerheid, zullen we maar zeggen.

 

Opwinding over. Totdat de baas timmerman bij zijn ruim-temperatuur-ronde om vijf uur op de brug meldt dat hij bij

luik I slijmsporen op de peilkoker heeft gezien. De eerste stuurman, niet ten onrechte achterdochtig, want de baas staat bekend

om zijn onverwachte grollen en grappen en een geduchte neiging tot inname van méér alcohol dan goed voor hem is,

lacht hem vierkant uit en laat hem verbaal alle hoeken van het stuurhuis zien. Maar gaat toch om half zeven maar even kijken.

Invallende duisternis, niets te zien.

’s Anderendaags wordt in Beirut luik I geopend en “boy, oh boy” de hele lading voddenbalen en zakken rundhoorns

bedekt met een uiterst levendige, witte laag van kanjers van maden ter grootte van een vingerkootje van het formaat van de kok,

hierboven in extenso beschreven. En een stank! Onbeschrijflijk!

Na overleg wordt besloten de hoorns naar dek te vershiften, tussen verschansing en luikhoofd.

De timmerman wordt gerehabiliteerd met een gratis rondje bier voor alle matrozen op kosten van de eerste stuurman,

en gaat meteen aan de slag met planken en cement om een goot langs de zakken te construeren.

Met zeildoek en netten, vastgesjord tegen het dek, twee dekwas slangen in de goot en een krachtige straal water er doorheen.

Tevreden staan we toe te kijken hoe uitbrekende maden meegesleurd in de snelle stroom, door de spuigaten naar zee worden afgevoerd.

“Dat loopt nou echt de spuigaten uit,” denk ik nog, voelbaar tevreden met die woordkeus.

                                                             

‘There is worse to come… .’

Met het verstrijken van de tijd wordt alles routine: om 10 uur ‘s morgens worden de maden wakker,

opgewarmd door de zon onder het broeierige zeil, breken uit en spoelen overboord.

In de avond, als het koeler is, stopt de exodus. En zo voort.

Nee, dus.

Rhodos, Piraeus en Izmir worden nog zonder trammelant met de (gezondheids) autoriteiten aangelopen,

maar onderweg naar Antwerpen, ter hoogte van Sicilië, om 10.05 uur lokale tijd, breken de maden,

die intussen het zwemmen machtig blijken, onder een verzengende zon door de automatische water barrière heen en

verspreiden zich in marsorde in lange witte slingers als guirlandes over het schip.

Het menu vermeldt raasdonders met spek, wat je noemt een eiwit rijke pot, maar de kok, alles behalve nuchter en misschien

nog nijdig over dat ene rupsje van de leerling twaalf dagen geleden, ‘couldn’t care less’ of heeft niet in de gaten dat tijdens het

roeren in de grote pan een legertje maden vanaf de vette, stalen dekbalk boven het fornuis hun grip verliezend naar beneden regent,

er een super eiwit rijke hap van makend.

Onder de maaltijd breekt een pandemonium uit, want zo’n dertig opvarenden uit salon en messroom willen allen tegelijk

de kok spreken. Laatstgenoemde gaat door het lint en moet met behulp van een puts zeewater en een ‘strait-jacket’ tot bedaren

gebracht worden. Kapitein Wilmink  kalmeert de gemoederen door aan een ieder een vrij biertje uit te delen, op kosten van de rederij,

plus nog wat speciaal voedsel, eigenlijk bestemd voor passagiers, hoofd officieren en bezoekende bobo’s,

nu bereid door de hofmeester, voor te zetten.

 

Het witte gevaar aan dek wordt handmatig aangepakt. Op ieder moment van de hete dag twee man met brandspuiten op

maximaal vermogen gericht spuitend naar die wriemelende pest en bij de deur naar de midscheeps nog een derde persoon met een

dekwas slang als in een achterhoede gevecht de doorzettende ‘die-hards’ onder de maden de weg versperrend.

Heb als leerling stuurman menig uurtje boven op de zakken koehoorns doorgebracht, naar hartelust met water spelend en intens bruin

verbrand mijn agressie op deze monsters afgereageerd. Tot grote opwinding van de lokale meeuwen die aan bakboordszijde boven het

water flitsend en duikend die hapklare brokjes eiwit reeds in de lucht proberen te verschalken.

Tenslotte went men aan alles: voor het slapen gaan even de lakens wegslaan en het tandenpoetsglas inspecteren, de toiletbril eerst

schoon vegen om niet uit te glijden en klem te komen zitten tussen pot en stortleiding. ‘Voelt’ u? Het dessert ijs gegarneerd met

madekopjes als krokante lange vingers er uit stekend. Geroosterd, evenals elders in de wereld, uiteindelijk ook voor ons best

smakelijk…als je tenminste eerst een  neiging tot kokhalzen en soortgelijke vooringenomenheid te boven bent gekomen.

Vlak overigens twee jaar Kweekschool voor de Zeevaart niet uit: op culinair gebied daar niet echt verwend,

gevolgd door tien maanden boordpraktijk, waardoor het donkerbruine vermoeden rijst dat sommige KNSM scheepskoks

stage hebben gelopen in de keukens van de Prins Hendrikkade in Amsterdam…, of omgekeerd.

 

Met het vergroten van de breedte verkleint de treklust van de maden en in Antwerpen is er geen één meer te zien.

“No sweat”, denken we. Opluchting. Wel, voorbarig ,wéér!

                                                            

In Duitsland , waar mannen in witte pakken aan boord verschijnen die een heel grondig onderzoek instellen naar de ‘witte pest

’ en pas na geruime tijd  het schip vrij geven ter lossing. De netten en presennings weg, nog steeds geen maden te bekennen.

Wél zakken die door het vele zeewater half verrot en vergaan zijn. ‘Die Mannschaft’ ruikt extra premie en legt het werk neer.

En krijgt een ‘gevarengeld’ toeslag.

Het beeld van in de sling scheurende zakken zal ik niet verder uitdiepen, u hebt fantasie genoeg.

Maar het volgende wil ik u niet onthouden: de vier ruimen gaan open en in een immens zwart, gonzende wolk kiezen

honderdduizenden vliegen, van die groen glimmende, het luchtruim, het daglicht verduisterend als een Egyptische plaag ‘après la lettre!’

Eenmaal hoogte winnend door een straffe Noordwestelijke wind meegesleurd op een Zuidoostelijke koers, in slierten over de

stad Hamburg uit het zicht verdwijnend. Richting Hongarije. Of daaromtrent. Hun hoornen kraamkamer achterna?

 

Voor de sceptici onder de lezers die graag zelf uitmaken of hun met dit verslag nu wél of niet een oor wordt aangenaaid

en misschien behoefte hebben aan het noemen van een waarheidspercentage, zal ik het zó formuleren: “Er zit een kern van waarheid in.”

                                                                                                                                                                                                                         

         M. van Meerwijk                                                            

 

                                                       ----------