E e n  K o r e n b l o e m  e n  d e  Z e e

                                                                                                                                                      

Dit verhaal begint  in Corinto, Nicaragua. Het is 10 uur in de avond van 27 juli 1961 als het motorschip

Agamemnon’ van de KNSM daar afmeert. Er staat geen zuchtje wind en het is bloedverziekend heet aan de kade,

die door een landtong van de zee is afgescheiden. We zitten met z’n allen op het sloependek naar zuurstof te happen

en de hofmeester verheugt zich bij voorbaat op een topomzet ‘frisdranken’ en andersoortige verkoeling, 

als er op de kade een Israëlische vierde werktuigkundige verschijnt, die alle officieren van de Roggebrood Hulk

namens zijn baas, een Nederlandse hoofdwerktuigkundige van het ZIM-schip dat achter ons ligt,

uitnodigt voor een verjaardagsborrel met aankleding.

“Alleen als jullie airconditioning hebben,” is onze balorige reactie, want je moet van goeden huize komen wil je

ons deze avond nog in beweging krijgen. Alsof de boodschapper het in Haifa hoort donderen.

“Natuurlijk!” En dus staan wij direct op en keren de verbouwereerde hofmeester de bezwete ruggen toe.

Weldadig de ontvangst aan boord van het Israëlische schip, pure luxe in onze ogen. Een ‘tig’-aantal drankjes en

culinaire hapjes later leggen sommige (jongere) KNSM-ers de plechtige gelofte af  per eerste gelegenheid ontslag

te nemen en in dienst van de ZIM te treden…

 

...En zo monster ik in januari 1965 bij Dammers & van der Heide in Rotterdam aan als tweede stuurman op de ‘Deganya’,

varende voor Zim Israel Navigation Company in Haifa in hun Pacific Star Line tussen de Oostkust van de Verenigde Staten

en Canada via het Panamakanaal naar Japan, Taiwan en Hongkong.

 

De ‘Deganya’ ligt voor anker voor Brooklyn, in zicht van de Verrazano Bridge, te wachten op het einde van de havenstaking.

Die nog een twee weken zou duren.

De Chinese kwartiermeester aan de valreep brengt mij bij kapitein Papareggopoulos. Dimitrios, voor intimi.

Deze Griek is achtentwintig jaar oud, slechts ‘two years my senior.’ De man is ‘good looking,’ zo iets als een jonge

Griekse God en vindt dat niet onprettig. Tijdens het gesprek krijg ik van hem mijn instructies.

De werkzaamheden die hij mij toeschuift zijn veelal gelijk aan die van mijn vorige werkgever.

Er zijn twee uitzonderingen: de ladingadministratie wordt niet door de tweede stuurman aan boord gedaan en  het

begrip lading-tallyboekje is onbekend, maar wél, quote: “You are to be the ship’s doctor,

fully in charge of the sickbay and the dispensary.” Unquote. Ik reageer lichtelijk onthutst en mompel zo iets van

not really feeling qualified’ en dat op Nederlandse schepen de eerste stuurman  zulke zaken behartigt… .

Maar kapitein ‘Papa…enzovoorts…’ wuift mijn ‘protest’ weg en verwijst naar een dik, groen boek,

‘The Ship’s Medicine Chest and First Aid at Sea,’ een uitgave van het Amerikaanse Ministerie van Gezondheid,

Onderwijs en Sociale Zaken (500 pagina’s) en naar de eerste stuurman, Mister Kòjpùz,

een landgenoot van mij. Stuurman Kuipers, dus.

 

Het motorschip ‘Deganya  (‘Korenbloem’) is genoemd naar Israëls eerste kibboets. Het is een modern ‘general cargo’

schip en  gebouwd in Vegesak/Bremen als ‘Wiedergutmachung’ voor de staat Israël.

Het meet 7115 ton bruto, is drie jaar oud, telt vijf ruimen met gewone laadbomen en een zware spier van

bescheiden hefvermogen. Dertig bemanningsleden, allen ondergebracht in ruime airconditioned éénpersoons hutten,

sommige met twee of meer vertrekken, vinden hier een comfortabele woon/werkplaats.

Ook de voeding verdient een ster en is niet te vergelijken met de grauwe erwten hap met  spek,

vette uien jus en roggebrood van weleer. Doelend op mijn vorige maatschappij, natuurlijk, die in maritieme kringen

in de Nederlanden om haar ‘zuinigheid’ de nodige faam geniet. 

En omdat we nog drie dagen ten anker liggen heb ik alle tijd om kennis te maken en me in te werken.

De officieren zijn meest Europees, de derde stuurman is een Spanjaard, de werktuigkundigen komen uit

Roemenië, Italië, Syrië en Marokko, de hofmeester is een Pool, alle zes van Joodse afkomst.

De sparks komt uit de Ierse Republiek en is ‘quite a character.’ Dol op Ierse whisky, of soortgelijke stimulantia,

ongeacht de herkomst,  en in die toestand regelmatig zwaar verliefd op (leuke) ‘female’ radiotelefoniestemmetjes,

de eigenaresjes waarvan hij na aankomst in een plaatselijke ‘milkbar  pleegt uit te nodigen. En als het visje dan

hapt klokken wij aan boord de duur van zijn absentie. Het minimum blijkt één uur twintig minuten,

de radio operator keert zeer ontnuchterd maar allesbehalve nuchter weerom. ‘Blissful intoxication?’

Het maximum laten wij om redenen van privacy achterwege, maar nuchter terug hebben we niet meegemaakt.

Om de beschrijving van de bemanning even af te ronden, het dek en machinekamerpersoneel is Chinees,

een hechte gemeenschap, betrouwbaar en goed.

 

Het heeft maar vijf dagen geduurd voordat ik aan het ziekbed van een bemanningslid word geroepen.

Het is dinsdagmorgen 7 uur, we liggen inmiddels langszij een Manhattan pier vanwege de staking niets te doen,

als een Chinese kwartiermeester voor mijn hut staat: “Pliez, hully, hully, mistel mate, Chaaniez sailul velly ill.”

Met een geforceerde glimlach om de lippen en verhoogde hartslag volg ik hem naar een hut op het hoofddek.

Er staat een tiental matrozen en olielieden in die ruimte, opgewonden koeterwalend en allen rokend,

het vertrek in blauwe dampen te verduisteren. Bij mijn aankomst maken ze een nauwe doorgang

zodat ik bij de patiënt kan komen.Twintig half wakkere ogen staren mij aan.

De zieke ligt badend in  het zweet te kronkelen van de pijn, met van die op hol geslagen ogen,

ronddrijvend in een wit gezicht, de handen regelmatig naar de rug grijpend.

En in het groene boek ben ik pas tot bladzijde 50 opgeschoten. Goede raad is duur, want bij een eerste

confrontatie  afgaan is niet  aanlokkelijk. Bij een volgende gelegenheid trouwens ook niet.

De consequentie van mijn woorden niet overziend hoor ik mij in de plotseling ingevallen stilte aankondigen

dat ik een ambulance zal bestellen. Het lawaai zwelt weer aan en tien opgeluchte Oriëntaalse gezichten, big smiles,

die “You velly good, second mate,” of woorden van gelijke strekking in het Cantonees roepen.

Op dat ogenblik doemt de Nederlandse eerste stuurman, twee meter lang, in de deuropening op en in onze moerstaal roept hij,

kijkend over al die lage schouders heen, “de man heeft nierstenen, Second. Bestel maar een ambulance.”

Ik knik hem toe en bevestig dat ik tot dezelfde conclusie gekomen ben. In het midden latend of dat de diagnose

of het ‘plan van aanpak’ betreft.

Vergezeld van een Engels sprekende kwartiermeester gaan patiënt en tweede stuurman per ziekenwagen met zwaailicht

door de ochtendspits van New York. Bij het ziekenhuis aangekomen, een vies en naargeestig gebouw,

wordt de matroos op een  brancard in de gang gelegd en aan zijn lot overgelaten.

Mij wordt verzocht naar een kantoortje te komen, ter beantwoording van de cruciale vraag, “Wie gaat dat betalen?”

  Mijn  poging  al  direct  iemand  naar  de  patiënt  te  laten  kijken  wordt genegeerd. Ik ben zichtbaar gechoqueerd.

De administrateur belt ZIM-lines, krijgt de superintendent captain Goldstein aan de lijn en geeft mij de hoorn.

Terwijl ik de company uitleg geef, installeert de administrateur een bandrecorder met telefoonplug en het gesprek weer

overnemend deelt hij de tegenpartij mee dat het gesprek opgenomen gaat worden. “Bezwaren? Géén bezwaren?!”

Er verstrijkt een kwartier tot de deal rond is. Ik kan nu vertrekken, “We zullen wel eens naar ‘your man’ laten kijken!”

Een week later is de ex-patiënt weer terug aan boord, een flesje met inhoud (een paar venijnige steentjes) en een

flinke snee over het lijf rijker.Als dank vóór en ter viering van de goede afloop krijg ik tijdens borreltijd in zijn hut,

samen met zijn maten, whisky aangeboden, in een bierglas, tot aan de rand gevuld en onversneden.

Ook reikt mijn gastheer mij tussen duim en wijsvinger een sigaret aan, die hij zelf uit het pakje in zijn andere hand geplukt heeft.

’s Lands wijs ’s lands eer! Ik geef me ‘over.’ Er wordt van oor tot oor geglimlacht.

Terug in mijn hut, lichtelijk onvast ter been, zie ik door de mist buiten(?) een ‘Dijk’ boot van de Holland Amerika Lijn

stroomopwaarts voorbij varen, aan boord waarvan ik mijn nagezonden bagage uit Rotterdam weet.

Vanwege de staking is het niet zeker of ik die van boord kan halen. Maar door als bemanningslid van het

HAL-schip te poseren loop ik uiteindelijk toch met twee zware koffers de loopplank af, tussen een lijn van

angry young (longshore)men’ door.

Acht dagen later vertrekken we, eindelijk gelost en geladen, via East River en Long Island Sound naar Boston en Montreal.

 

De eerste ‘slinger’ naar het Verre Oosten verloopt probleemloos. Het leven aan boord is relaxed, de sfeer goed.

De 22 dagen durende oversteek van Panama naar Yokohama via een zuidelijke route langs Hawaï is een slaapverwekkend,

bijna hypnotiserend gebeuren. Mijn eerste kennismaking met Japan, na die 1246 dagen internering tijdens de

Japanse bezetting van het voormalige Nederlands Indië in de Tweede Wereldoorlog: fascinerend land, fascinerend volk!

Daarna nog Taiwan, Hongkong en tenslotte weer via enkele Japanse havens langs de grootcirkel route in 17 dagen terug in Panama.

Tijd genoeg het medische handboek van voor naar achter en omgekeerd nog eens door te spitten.

En om u, meevarende lezer, even rust te gunnen.

De volgende keer nodig ik u uit om de reis aan boord van de ‘Deganya’ voort te zetten met  het pregnante

probleem van ‘Een Patiënt met Volmacht.’ 

 

         M. van Meerwijk                                                            

 

                                                       ----------