E e n  ‘ P a t i ë n t  m e t  V o l m a c h t ’ 

 

Onderweg van Montreal naar Norfolk (oostkust USA), op de tweede uitreis van de ‘Deganya’ van ZIM-Lines,

juni 1965, komt de hofmeester Moshe met een ‘most pressing matter’ op het spreekuur in de ziekenboeg.

Zijn eigenlijke naam is Menachem Dankovsky, maar omdat hij, in zijn jonge jaren,

als rechtgeaard Israeliër van Poolse afkomst, zijn buurman van Arabische oorsprong in een of andere oorlog

heeft bestreden en daarbij net als de nationale held generaal Moshe Dayan een zwart ooglapje heeft opgelopen,

noemen wij hem Moshe. Waartegen Menachem nooit enig bezwaar heeft aangetekend. Hetgeen de man natuurlijk siert.

Moshe dus vertelt mij in vertrouwen dat hij pijn in de onderbuik heeft en al vier dagen geen ontlasting heeft gehad.

Ik druk me netjes uit want hij zelf gebruikt een Engels vierletter werkwoord beginnend met ‘s’ en eindigend op ‘t’.

Waarop ik, al duidelijk met méér zelfvertrouwen dan bij mijn eerste case – de matroos met de nierstenen –

naar een halve literfles ‘castor oil’ (wonderolie) grijp. We lezen samen hardop de instructies op de label door.

Een eetlepel van dat spul innemen en daarna meteen stand-by boven de toiletpot, u kent dat wel.

Beiden hartelijk lachend, herinner ik mij, om de laatste waarschuwing op het flesje dat dit middel niet gebruikt moet

worden wanneer de patiënt in verwachting is. Hebt u iemand met één oog wel eens zien schateren? Daar ontbreekt zo gezegd iets aan.

Hofmeester en flesje gaan af. Maar eerstgenoemde komt ’s anderendaags wel weer op met lege(!)

fles en de opmerking dat het niet geholpen heeft. Zou hij mij dan toch, oh Babylonische spraakverwarring,

verkeerd begrepen hebben en de flesinhoud in plaats van de darminhoud door de toiletpot gespoeld hebben?

Je weet maar nooit in een multiculturele samenleving.

Ik vertel hem dan ook dat ik zijn verhaal ongeloofwaardig vind, want dat zelfs een olifant van één eetlepel van dat goedje

al aan de slinger…. raakt. Moshe blijft in de plooi en vraagt nu iets om de pijn in de buik te verzachten.

Hij krijgt codeïne, een soort potente aspirine, zal ik maar zeggen, en toegewenste sterkte mee.

Met een nadenkende frons op zijn gezicht vertrekt de hofmeester weer hutwaarts.

’s Middags komt hij andermaal voor consult, in mijn hut nu, gaat uitgebreid zitten en verklaart ernstig dat hij iets wil opbiechten.

“I have a confession to make, second mate !”  Ik zet me schrap.

“Niet ik, maar mijn vrouw is eigenlijk de patiënt ! Het is zij die nu dus al vijf dagen niet heeft kunnen vier-letter-werkwoorden.

  Begrijp je ?   So sorry !”

Van Annabella Dankovsky heb ik u nog niet verteld. Anna is wat je noemt bella: jong, Joods, Pools, blond, blauwe ogen,

haar vitale statistieken zogezegd A-okay. Annabella heeft ook nog hersens want ze leidt aan boord een wat teruggetrokken bestaan,

zich bewust van macho Moshe’s hanige dispositie en licht ontvlambare jaloezie.

De hofmeester nu moet iets van een glinstering in mijn ogen bespeurd hebben.

Ik ben vrije jongen, wat wílt u? En van het type jong en je wilt wat. Wat wilt u zélf ? Een wereld van verschil (…?), dit klemtoonverschil. 

Of vergis ik me? 

IJzig antwoordt Moshe op mijn uitroep maar meteen op patiënte(n) visite te gaan,

quote: “I was not to see his woman in a horizontal posture, nor in any posture for that matter, if he could help it.

And by JHWH he could. Period!” Unquote.

En zelfs mijn ‘half-hearted’ verweer dat de echtgenoot vanzelfsprekend mag chaperonneren,

alles dus ‘above-board’ als het ware is, beter(?) gezegd ‘under covers’  

in dit geval, hij is niet te vermurwen. Ik moet hem maar vragen stellen uit het Groene Boek in de apotheek,

waarheen we intussen verhaald zijn, en dan zou hij wel twee trappen óp het antwoord weer twee trappen áf komen overbrengen.

Ik moet achteraf bekennen dat ik een paar hoogst onnodige en misschien wel ongepaste vragen op de hofmeester heb afgevuurd.

Eén voor één. Maar Moshe is blijkbaar ‘sportief’(?) genoeg om voor elke vraag apart aan een nieuwe hordeloop

met hindernissen richting mooie Anna te beginnen. Op deze wijze pendelt hij een dik uur heen en weer tussen

zieke vrouwtje en tweede stuurman. Totdat hij zichtbaar achterdochtig geworden bij de vraag of

“Hij en Annabellaehyou knoweh … of zijn woman dus … eh … is?” ongeloof uitstraalt, het éne echte oog

omhoog draaiend naar het plafond, zodat het lijkt of de man werkelijk stekeblind is.

“Als iemand dat zou weten dan is hij dat toch wel…?” … .

“Niet waar…..? Toch…….!?”

Hij moet meewarigheid in mijn blik hebben opgevangen, want hij besluit er maar even het zwijgen toe te doen en vrouwlief

zélf een paar ‘eigen’ vragen te gaan  stellen. Nadat hij eerst met die Cyclopische frons van hem in het Groene Boek

gecontroleerd heeft of de vraag er wel instaat. Dat blijkt het geval.  Lucky me!

Die dag komt Eenoog niet meer terug. Het moet dus een indringend gesprek zijn geweest tussen iemand die van niets weet en

iemand anders die wél wat weet, maar dat eigenlijk ook niet weten wil (…?). Kunt u het nog volgen ?

De volgende dag komt hij met de staart tussen de benen terug. Met een variatie op ons “het kan vriezen,

het kan dooien” in de stereotype, Oriëntaalse vertaling van “may be yes, may be no,” waarna hij nog iets mompelt van

six weeks late or something.” Niet alleen een Pressing Matter, maar ook een echt Pregnant Probleem,  dus!

En mij op halve kracht aankijkend vraagt hij mij toch maar ‘long distance’ spreekuur te willen blijven houden.

Gelukkig adviseert de medische zeemansbijbel nu om het dichtstbijzijnde Rode Kruis Hospitaal te bellen.

Met toestemming van Master Papareggopoulos krijgt de marconist te horen:

“Put the good lady to bed en geef haar maar iets uit flesje nummer zo en zo, en not to worry :

na aankomst in Norfolk zou er wel een ziekenwagen klaar staan.”

En zo geschiedt. De hele bemanning, inclusief de tweede stuurman, staat vol medeleven aan de loopplank om Bella,

stevig ingepakt, op een brancard te zien worden afgevoerd.

Als we haar weer aan boord terugzien na het verblijf in het ziekenhuis en een

buiten-baarmoeder(lijke)-zwangerschap-operatie, volgt op een onbewaakt ogenblik het eerste gesprek

tussen  ex-patiënte en haar tele-hut ‘arts.’  “Ja, Moshe zou jou beslist toch wel iets naars hebben aangedaan als jij je

medische ‘plichtsgevoel’ tot aan mijn sponde had willen doordrijven,

Second.” Ik knik begrijpend, dus toch wel enige mensenkennis suggererend. En kan een grimlach nog net onderdrukken.

 

Midden op de Stille Oceaan, op weg naar het Verre Oosten, laat ik u, meevarende lezer, even met rust.

De volgende keer nodig ik u uit om de reis in de Pacific Ster Lijn met het relaas over ‘Loslippigheid en ander Ongemak’ voort te zetten.

 

         M. van Meerwijk                                                          

 

                                                       ----------