D e  ‘ W a s s e n d e   M a a n ’                                                                                                                                                           

 

Na tien en een halve maand, plus of min misschien één dag voor het passeren van de Internationale Datumgrens,

aan boord van de ‘Deganya’ in de ‘Pacific Star’ Lijn, word ik op eigen verzoek tweede stuurman op het motorschip ‘Sahar.’

  Plaats en datum van de transfer is Kobe (Japan) op 10 december 1965. Dit schip onderhoudt een drie maandelijkse dienst

tussen het Verre Oosten en Afrika, van Mozambique rond Kaap de Goede Hoop tot Gambia, in de ‘Gold Star’ Lijn,

eveneens van ZIM Israel Navigation Company in Haifa.

De ‘Sahar’ (‘Wassende Maan’) is nog geen twee jaar oud als ik aan boord stap.

Een 7200 ton groot schip voor stukgoed, met drie ruimen vóór de brug en twee achter, zestien laadbomen en een kleine zware spier.

Het schip heeft fraaie vormen en een sierlijke stroomlijn en zit fris in de verf. In mijn ogen ten opzichte van de generatie

koele zakelijkheid uitstralende containerschepen erna te vergelijken  met de laatste klippers uit de begindagen van de stoomvaart.

Een zwart-wit foto van dit schip prijkt op mijn bureau en ik moet bekennen dat ik er nog wel eens met ‘verliefde’ ogen naar kijk.

Ondanks een ‘progressieve’ ouderdom. Toch denk ik dat menig (ex)-zeevarende (M/V?)

dergelijke ‘Sturm und Drang’ gevoelens wel zal (her)kennen. Ben overigens best benieuwd hoe ‘de vrouwelijke collega ter koopvaardij’

tegen dit wellicht post puberaal verliefd naar scheepjes kijken langs de wallekant aankijkt? Is dat iets voor een reactie in een

volgende uitgave van dit tijdschrift?

De beschrijving van de ‘Sahar’ nog even afmakend: met een gezagvoerder, hoofdwerktuigkundige en tweede stuurman

is ons vaderland goed vertegenwoordigd. De eerste stuurman is een Noor, de derde komt uit Hongkong evenals de

andere werktuigkundigen. Het dek en machinekamerpersoneel komt ook uit China.

 

Op de eerste uitreis naar Afrika al vraagt quartermasterMoonface’ mij, als ‘scheepsmedicijn man’,

in Hongkong of hij naar de tandarts mag. Hij heeft al zo lang last van die ene kies. “Die moet eruit,” vindt hij.

En ongevraagd spert de man zijn enorme gezicht open en wijst op de boosdoener.

Ik tuur, maar zie niets bijzonders: een vlugge telling levert 32 blinkende en gezond ogende tanden op,

waarop iemand met een derde wereld gebit als het mijne alleen maar jaloers kan zijn.

Maar goed, de man wil naar de tandarts en wie ben ik? Als hij zich netjes afmeldt bij de bootsman, mijn zegen heeft hij.

Ik wens hem sterkte, opgelucht dat ik niet zelf hoef te sleutelen. “Einde verhaal voor mij,” denk ik.

Nee, dus. Er zit nog méér aan te komen. Oosters geduldig wacht ik af. Moonface kijkt wat schichtig om zich heen

of hij niet wordt afgeluisterd en fluistert mij toe dat hij eigenlijk van plan is een grote onderhoudsbeurt te laten uitvoeren,

een soort dentale 10.000 kilometerbeurt dus. Hij wil namelijk zijn hele gebit laten trekken.

“Want, ziet u,” en nu op samenzweerderige toon, “hij heeft door een zuinig en gepast leven en ook nog wat extra ‘handel’

(niet nader toegelicht) zoveel geld verdiend dat de biljetten hem in de zak branden.

Met al die onveiligheid in de havens en het florerende zakkenrollers gilde. Begrijpt u?”

Nee, dat doe ik niet en mijn glazige blik spoort hem aan wat gedetailleerder te worden.

“Hij heeft,” zegt hij, “het briljante idee gekregen om zijn volledige loonzakje in goud om te zetten, in twee en dertig gouden tanden en kiezen.

Op die manier heeft hij geen omkijken meer naar zijn kapitaal, hoeft hij niet steeds weer flappen te tellen.”

Mijn reactie, weer zuinig Hollands dit maal, ben ik bang, moet hem vast gekwetst hebben,  maar dat verbergt hij achter een glimlach.

Zoveel werkelijkheidszin heeft hij nog wel dat hij zich bij voorbaat de lichamelijke gevolgen van de ingreep probeert in te dekken,

“ want hij zal toch wel enige tijd niet optimaal inzetbaar zijn aan boord,” vermoedt hij.

Ik neem hem mee naar de eerste stuurman en beiden praten wij op hem in. Dat helpt niet, hij is vastbesloten.

Well, what the heck, ’s lands wijs, ’s lands eer,” en de twee Europeanen wassen de handen en laten de man zijn gang gaan.

In twee dagen tijd verandert het blozende vollemaansgezicht van de kwartiermeester in dat van de asgrauwe fase van een nieuwe maan,

opgezwollen, bloederig en koortsig. Op de dag van vertrek naar Singapore verschijnt hij met een goedkoop nood kunstgebit.

“Wanneer komt het goud?”, informeren wij belangstellend. “Na de volgende thuisreis over drie maanden”, antwoordt hij in gebarentaal.

Op ons achterdochtige “Heb je vooruit moeten betalen?” klapt Moonface dicht en trekt daarbij een gezicht als van

Gekke Gerritje’s Chinese equivalent.

Maar echt, een reis later, verschijnt des namiddags met een onwerkelijk brede grijns over zijn immense gelaat

Mister Quartermaster himself met een gloednieuw geïmplanteerd gebit en weerkaatst de lage avondzon het blinkende goud

op onze bewonderende netvliezen. Verblindend! Moonface heeft het helemaal gemaakt aan boord, is zo gezegd het Heertje nu.

De vreugde en zijn flitsende grijns hebben twaalf weken geduurd …

…Want weer terug in zijn thuishaven, een reis later, besluit de man voor de verandering nu eens zijn dorst naar alcohol

en andersoortig vermaak  te gaan lessen in een Kowloonse kroeg. Hij gaat dus stappen.

Om ’s morgens om twee uur weer aan boord terug te keren, zonder tanden en kiezen en met een bebloed,

opgezwollen gezicht en rood doorlopen ogen. Duistere landgenoten hebben hem in een stil steegje staan opwachten en hem

het gebit uit de mond geschud. Het ‘veilig’ verankerde goud heeft die brute behandeling niet overleefd,

een ware ‘catch as catch can’ scène van louche figuren in dat ongure steegje over de grond hun nieuwe rijkdom bijeengraaiend.

Een wrang geluk bij een ongeluk: het slachtoffer heeft het nood kunstgebit nog ergens in een lade liggen.

Wíj moeten het verder zonder zijn blitse glimlach doen! Hij monstert trouwens af, een kwestie van gezichtsverlies?

 

Bij het binnenlopen van de haven van Kobe, een reis later, goed zicht, vroege ochtendlicht, loods aan boord en sleepboten

vast voor en achter, komt de ‘Sahar’, nagenoeg in ballast na lossing van een stortlading fosfaat, of sojabonen,

dat wil ik kwijt zijn, uit Togo in een vorige Japanse haven, binnen de pieren in aanvaring met een uitgaand Japans schip,

ook in ballast en onder loodsaanwijzing,  met nog één sleepboot achter.  

Met stijgende verbazing zie ik met de meerploeg op het achterschip van de Sahar hoe de 10.000 tonner

Maru-nog wat’ hoog op het water, stapvoets en haaks naar ons toeschuift.

Op de brug van de tegenpartij steken een stuk of vijf slaperige Japanse hoofden net boven de dichte brugvleugel windkering uit;

dan gaan tien wakker geschrokken handen de lucht in, een schreeuw over het stille water naar de bak.

Het anker valt. Maar de voltallige ankerploeg rent daarna wel als hazewindhonden naar een veiliger plek midscheeps,

zodat de ankerketting blijft uitlopen.

De ‘Sahar’, al achteruitvarend, kan de aanvaring niet voorkomen.

De sterk overhellende voorsteven van de Japanner stuit als eerste op onze voormast, waarna de  scherpe boeg met het geluid

als van een bot mes door geribbeld karton een groot uitwaaierend V-vormig gat naar beneden zaagt om één voet

boven de waterlijn aan bakboordzijde, we hellen inmiddels een dikke dertig graden uit het lood, tot stilstand te komen.

En dat alles in een tijdsbestek van enkele seconden!

Het Japanse schip wordt achteruit losgetrokken en de ‘Sahar’ richt zich weer op.

Waarna onze achtersleepboot ons op volle kracht achteruit de haven uitsleept.

Buitengaats wordt de schade opgenomen en rond gepeild. Een gapend gat, zeven meter hoog, van boven drie meter wijd

en van onderen eindigend in een deuk. Het dek en dekhuis ter plaatse als een sardineblik omhoog en opzij gekruld.

Persoonlijke ongelukken hebben zich niet voorgedaan tijdens de aanvaring. Alleen de marconist loopt een buil op

omdat hij als enige nog ligt te slapen en door de slagzij uit zijn bed is gekieperd.

Er is ook lichte waterschade, te danken aan een dekwas slang die tijdens de verstrengeling via het kluisgat van de ‘Maru

water in ons ruim I pompt.

Een kwartier later hangt het TV journaal in een helikopter boven ons en even later mogen wij toch weer binnenlopen

om langs een kade af te meren. Waar, we zijn tenslotte in Japan, en daar weten ze van aanpakken,

de plaatselijke werf met een tiental mensen met snijbranders ons staat op te wachten.

Nog vóór het afmeren is gedaan zet een kraan met laadbak deze lieden af op het voorschip en gaat men aan de slag.

Dat maakt indruk!

Na dokking en één week reparatie vertrekt de ‘Sahar’ als herboren weer naar het zuiden.

Nog net op tijd om in Zuid Afrika de eerste(?) turbulentie na de moord op Premier Hendrik Verwoerd, 6 september 1966, mee te maken.

De verdere reis naar Angola, Congo, Cameroun, Nigeria, Ghana, Liberia en Sierra Leone verloopt als vanouds.

We brengen Oost Aziatische zaken als knock-down cases machinerieën en elektronica. We halen weinig.

Op de terugreis in Ktémé (Togo) wel tot aan het merk afgeladen met fosfaat/sojabonen voor Omuta (Japan), of daaromtrent.

 

Eind december 1966 begin ik de laatste uitreis van mijn ‘zeemansloopbaan.’ Acht jaren varen is mooi geweest.

En genoeg, vind ik. Stoppen is zeker, ook nog mijn eerste rang halen. Maar wat dan?

Het van voren af aan beginnen lokt niet. Welke (oud) zeevarende herkent niet die keus  Between the Devil and the Deep Blue Sea?’

Dat ik uiteindelijk acht jaren bij Neerlands Eerste Reisbureau Lissone Lindeman (sinds 1876) gewerkt heb

en vierentwintig jaar voor de klas heb gestaan van het Agnes/Bonaventura College in Leiden,

en al die tijd heb mogen delen met mijn goede Hongaarse vrouw Zsuzsi was toen nog in nevelen gehuld. 

 

         M. van Meerwijk                                                          

                                                               

----------